Header

Header

Header

Header

Header

Header

Header

Header

Header

Header

Header

 


 


 


 

    

°Aeacus,Aeaci : Aeacus
°Aegyptus,Aegypti (vr.): Egypte
°Aelia,Aeliae : Aelia
°Aemilia Donativa,Aemiliae Donativae : Aemilia Donativa
°Aemilius Celer,Aemilii Celeris : Aemilius Celer
°Aeneas,Aeneae : Aeneas (eigennaam)
°Aeneas,Aeneae: Aeneas,Trojaanse held en stamvader van de Romeinen
°Aequi,Aequorum : de Aequi
°Aetna,Aetnae : Etna
°Afer,Afri : Afrikaan
°Africanae,Africanarum : wilde dieren uit Afrika
°Alba Longa,Albae Longae : Alba Longa
°Alpes,Alpium (mv.): de Alpen
°Alpes,Alpium : de Alpen (enkel mv.)
°Alpicus,Alpici : Alpenbewoner
°Ambiorix,Ambiorigis (ml.) : Ambiorix
°Amulius,Amulii : Amulius
°Anchises,Anchisae : Anchises (eigennaam)
°Apollo,Apollinis : Apollo
°Apollo,Apollinis: Apollo (zonnegod,god van dichtkunst en geneeskunde)
°Appianus,Appiani : Appianus
°Aprilis,Aprilis,Aprile : van de maand april
°Aquilo(eig),Aquilonis : de Noorderwind
°Aquitanus,Aquitani : Aquitaniër
°Archimedes,Archimedis : Archimedes
°Arriana Polliana : Arriana Polliana (naam van het flatgebouw)
°Arrius,Arrii : Arrius
°Ascanius,Ascanii : Ascanius (eigennaam)
°Asia,Asiae : Klein-Azië (het huidige W-Turkije)
°Athenae,Athenarum (mv.): Athene
°Athenae,Athenarum : Athene
°Athenodorus,Athenodori : Athenodorus
°Augustus,Augusti : Augustus
°Augustus,Augusti: Augustus (eerste Romeinse keizer)
°Aurelius,Aurelii : Aurelius
°Aventinus mons,Aventini montis : de Aventijn
°Aventinus,Aventina,Aventinum : Aventijns
°Aventinus,Aventini: de Aventijn (heuvel in Rome)
°Baianus,Baiana,Baianum : van Baia, bij Baia (stad bij Napels)
°Bassa,Bassae : Bassa
°Belgae,Belgarum (mv.): Belgen (volk in noorden van Gallië)
°Berytus,Beryti : Beiroet
°Britannia,Britanniae : Britannië
°Brundisium,Brundisii: Brundisimum (belangrijke haven in Apulië, men scheepte er in voor Griekenland)
°C. Mucius : Caius Mucius
°Caesar,Caesaris: Caesar (eretitel)
°Callirhoe,Callirhoes : Callirhoe
°Campania,Campaniae : Campanië
°Campania,Campaniae: Campanië (streek in Italië, ten zuiden van Latium)
°Campanus,Campani : Campaniër
°Candidus(eig),Candidi : Candidus
°Cannae,Cannarum: Cannae, stad in Apulië waar Hannibal de Romeinen een zeer zware nederlaag toebracht
°Capitolium,Capitolii: het Kapitool (heuvel in Rome)
°Carpophorus,Carpophori : Carpophorus
°Carthago,Carthaginis: Carthago, stad in Noord-Afrika
°Casca,Cascae : Casca
°Caucasus,Caucasi : Caucasus
°Celtae,Celtarum (mv.): de Kelten
°Cerberus,Cerberi: Kerberos (driekoppige hellehond die toegang tot de onderwereld bewaakte)
°Ceres,Cereris : Ceres
°Charon,Charonis: Charoon (de veerman van de onderwereld)
°Cicero,Ciceronis: beroemd staatsman, redenaar en schrijver uit 1ste eeuw v.Chr.
°Circus Maximus,Circi Maximi : Circus Maximus
°Circus,Circus : het Circus Maximus
°Claudia,Claudiae : Claudia
°Claudius Pulcher,Claudii Pulchri : Cluadius Pulcher
°Claudius,Claudii : Claudius, (keizer) Claudius
°Cloelia,Cloeliae : Cloelia
°Cnaeus Alleus Nigidius Maius : Cnaeus Alleus Nigidius Maius (eigennaam)
°Cnosiacus,Cnosiaca,Cnosiacum : van Knossos (waar koning Minos heerste)
°Cocles,Coclitis : Cocles (de eenogige
°Constantinus,Constantini : (keizer) Constantinus
°Corax,Coracis : Corax
°Cornelius Minicianus,Cornelii Miniciani : Cornelius Minicianus
°Danuvius,Danuvii: de Donau
°Decimus Lucretius Sater Valens,Decimi Lucretii Satri Valentis : Decimus Lucretius Sater Valens
°Delphi,Delphorum: Delphi, stad in Griekenland waar een bekend orakel van Apollo gevestigd was
°Delus,Deli (vr.) : Delus
°Deucalion,Deucalionis : Deucalion
°Di Manes : de goden Manes
°Diana,Dianae : Diana
°Druidae,Druidarum (enkel mv.) : Druïden
°Eburones,Eburonum : Eburonen
°Egnatius Mecennius,Egnatii Mecennii : Egnatius Mecennius
°Erotion,Erotionis : Erotion
°Etruscus,Etrusci : Etrusk
°Fabullus,Fabulli :Fabullus
°Faustulus,Faustuli : Faustulus
°Februarius,Februaria,Februarium : van februari
°Felicissimus,Felicissimi : Felicissimus
°Fortuna,Fortunae : Fortuna (godin van het geluk), lot
°Fortunata,Fortunatae : Fortunata (vrouw van Trimalchio)
°Fucinus lacus, Fucini lacus : het Fucinusmeer
°Galli,Gallorum (mv.): de Galliërs
°Gallia,Galliae : Gallië
°Gallia,Galliae: Gallië
°Gallus,Galli : Galliër
°Garunna,Garunnae : Garonne
°Garunna,Garunnae: de Garonne (rivier in Zuid-Gallië)
°Germanus,Germani : Germaan
°Graecia,Graeciae: Griekenland
°Graecus(adj),Graeca,Graecum : Grieks
°Graecus(subst),Graeci : Griek
°Graecus,Graeci : Griek
°HS : afkorting van een Romeinse munteenheid, m.n. de sestertie (mv. : sestertiën)
°Hannibal,Hannibalis : Hannibal
°Hannibal,Hannibalis: Hannibal (beroemd Carthaags veldheer in de tweede Punische oorlog)
°Henna,Hennae : Henna (stad op Sicilië)
°Hennensis,Hennensis : inwoner van Henna
°Herculaneum,Herculanei : Herculaneum
°Hercule : bij Hercules, verdomd
°Hercules,Herculis: Hercules of Herakles (beroemde Griekse halfgod)
°Hispania,Hispaniae: Spanje
°Hispanus,Hispani : Spanjaard
°Horatius Cocles,Horatii Coclitis : Horatius Cocles
°III : drie
°IV : vier
°Ianiculum,Ianiculi : Ianiculusheuvel (aan de rechteroever van de Tiber)
°Ianiculus,Ianiculi : de Janiculusheuvel (net buiten Rome)
°Idus,Iduum (enkel mv.) : de Iden (: in maart,mei,juli en oktober de 15de dag, in de andere maanden de 13de)
°IolausIolai : Jolaüs
°Ionius,Ionia,Ionium : Ionisch€
°Iphis : Iphis (eigennaam)
°Italia,Italiae : Italië
°Italicus,Italici : inwoner van Italië, Italiaan
°Iulianus,Iuliani : Julianus
°Iulius,Iulii : Julius
°Iuno,Iunonis: Juno, echtgenote van Jupiter
°Iuppiter,Iovis: Jupiter of Zeus (oppergod)
°Kalendae,Kalendarum (enkel mv.) : Kalenden (eerste dag van de maand)
°Laecania,Laecaniae : Laecania
°Latinus,Latina,Latinum : Latijns
°Latium,Latii : Latium
°Latona,Latonae : Latona
°Lavinium,Lavinii : Lavinium (eigennaam)
°Legio II Parthica : Legio II Parthica
°Legio II Parthica Severiana : Legio II Parthica Severiana
°Leontius,Leontii : Leontius
°Libera,Liberae : Libera (andere naam voor Proserpina)
°Ligdus,Ligdi : Ligdus (eigennaam)
°Lucius Cotta,Lucii Cottae : Lucius Cotta
°Lucius Iunius Brutus,Lucii Iunii Bruti : Lucius Junius Brutus
°Lucius Petrosidius,Lucii Petrosidii : Lucius Petrosidius
°Lucretia,Lucretiae : Lucretia
°Manes,Manium (enkel mv.) : de Manes (geesten van de doden)
°Manlius,Manlii : Manlius
°Manneia,Manneiae : Manneia
°Marcellus,Marcelli : Marcellus
°Marcus,Marci : Marcus
°Mars,Martis: Mars of Ares (god van de oorlog)
°Matrona,Matronae: de Marne (zijrivier van de Seine)
°Maximus,Maximi : Maximus
°Menenius Agrippa,Menenii Agrippae : Menenius Agrippa (eigennaam)
°Mercurius,Mercurii : Mercurius
°Mercurius,Mercurii: Mercurius of Hermes (god van de handel, verkeer en wegen; bode van de goden)
°Minerva,Minervae : Minerva
°Minerva,Minervae: Minerva of Athena (godin van de wijsheid, de kunsten en de wetenschappen)
°Minos,Minois (ml.) : Minos
°Minucius,Minucii : Minucius
°Neapolis,Neapolis : Napels
°Neapolis,Neapolis: Napels (stad in Campanië)
°Neptunus,Neptuni : Neptunus
°Neptunus,Neptuni: Neptunus of Poseidoon (god van de zee)
°Nero,Neronis : (keizer) Nero
°Nonae,Nonarum : de Nonen (7de dag in maart,mei,juli en oktober; 5 de in overige maanden)
°Numitor,Numitoris : Numitor
°Octobris,Octobris,Octobre : van de maand oktober
°Olympus,Olympi: de Olumpos (berg in Thessalië, verblijfplaats van de goden)
°Optata,Optatae : Optata
°Ortygia,Ortygiae : Ortygia
°Palatinus,Palatina,Palatinum : Palatijns
°Palatius mons,Palatii montis : de Palatijn
°Parnassus,Parnassi : Parnassus
°Parthi,Parthorum: de Parthen (volk dat leefde in het huidige Irak en Iran)
°Paula,Paulae : Paula
°Paulinus,Paulini : Paulinus
°Penates,Penatium: Penaten,huisgoden,beschermgoden
°Phaestius,Phaestia,Phaestium : van Phaestus (stad in het Zuiden van Kreta)
°Pluto,Plutonis : Pluto
°Poenus,Poeni: Puniër, Carthager
°Polus,Poli : Polus
°Pompeii,Pompeiorum (enkel mv.) : (de stad) Pompeji
°Pompeii,Pomperorum (mv.): Pompei (stad in Campanië)
°Porsenna,Porsennae : Porsenna
°Postumus,Postumi : Postumus
°Primus,Primi : Primus (hier eigennaam)
°Priscus,Prisci : Priscus
°Prometheus,Promethei : Prometheus
°Proserpina,Proserpinae : Proserpina
°Pyrrha,Pyrrhae : Pyrrha
°Pythius,Pythia,Pythium : Pythisch
°Python,Pythonis (ml.) : Python
°Quinctius Cincinnatus,Quinctii Cincinnati : Quinctius Cincinnatus
°Quirinus,Quirini : (de god) Quirinus
°Reditus,Rediti : Reditus
°Regula,Regulae : Regula
°Remus,Remi : Remus
°Rhadamanthus,Rhadamanthi : Rhadamantus
°Rhea Silvia,Rheae Silviae : Rhea Silvia
°Rhenus,Rheni: de Rijn
°Rhodius,Rhodia,Rhodium : van Rhodos
°Roma,Romae: Rome
°Romae : te Rome, in Rome
°Romanus(adj),Romana,Romanum : Romeins
°Romanus(sub),Romani : Romein
°Romanus,Romani: Romein
°Romulus,Romuli : Romulus
°Sabini,Sabinorum (mv.): de Sabijnen (buurvolk van de Latijnen)
°Sabinus,Sabini : Sabijn
°Septembris,Septembris,Septembre : van september
°Sequana,Sequanae : Seine
°Sequana,Sequanae: de Seine
°Sextus Tarquinius,Sexti Tarquinii : Sextus Tarquinius
°Sibylla,Sibyllae: de Sybile (priesteres die in extase de toekomst voorspelde)
°Sibyllinus,Sibyllina,Sibyllinum : Sibillijns
°Sicilia,Siciliae : Sicilië
°Siculus,Sicula,Siculum : van Sicilië, Siciliaans
°Syracusae,Syracusarum : (de havenstad) Syracuse
°Syria,Syriae : Syrië
°Syrracusae,Syrracusarum (enkel mv.) : Syracuse
°Tarquinius Superbus,Tarquinii Superbi : Tarquinius Superbus
°Tartareus,Tartarea,Tartareum : behorend tot de Tartarus, van de Tartarus
°Tartarus,Tartari : Tartarus, Onderwereld
°Tartarus,Tartari: de Tartaros (afgrond in de onderwereld; verblijfplaats van grote misdadigers)
°Taurea,Taureae : Taurea
°Telethusa,Telethusae : Telethusa
°Terra,Terrae : de godin Aarde
°Thais,Thaidis : Thaïs
°Thessalus,Thessala,Thessalum : Thessalisch (Thessalië = streek in Noord-Griekenland)
°Tiberinus pater : de riviergod Tiber
°Tiberinus,Tiberini : Tiber
°Tiberis,Tiberis : Tiber
°Tiberis,Tiberis: de Tiber (rivier in Midden-Italië die door Rome vloeit)
°Tillius Cimber,Tillii Cimbri : Tillius Cimber
°Titus Manlius,Titi Manlii : Titus Manlius
°Triton,Tritonis (ml.) : Triton (zoon van Neptunus)
°Troia,Troiae : Troje
°Turnus,Turni : Turnus (eigennaam)
°Ursa,Ursae : Ursa (eigennaam)
°V : vijf
°VI : zes
°Valerius,Valerii : Valerius
°Varro,Varronis : Varro (eigennaam)
°Vaticanus,Vaticani : de Vaticaan (heuvel in Rome)
°Venus,Veneris : Venus of Aphrodite (godin van de liefde en schoonheid)
°Vesta,Vestae : (de godin) Vesta
°Vesta,Vestae : Vesta of Hestia (godin van de haard)
°Vesuvius,Vesuvii : Vesuvius
°Vesuvius,Vesuvii : Vesuvius
°Vulcanus,Vulcani : Vulcanus
°X : tien
°XIII : dertien
°XL : veertig
°XVIII : achttien
°XX : twintig
°a(b) + abl : vanaf, sinds, door (bij pass.)
°ab+ abl : vanaf, sinds, door (bij pass.)
°abdere,abdo,abdidi,abditum : verbergen
°abesse,absum,abfui,- : weg zijn, verwijderd zijn
°abicere,abicio : weggooien
°abigere,abigo,abegi,abactum : verdrijven, wegleiden, verjagen
°abire,abeo,abii,abitum : weggaan, gaan uit
°abl. + tenus : tot aan, tot op
°abrogare,abrogo,abrogavi,abrogatum : afschaffen
°abscindere,abscindo,abscidi,abscissum + abl. : losscheuren van, scheiden van
°ac (neven) : en
°accedere,accedo,accessi,accessum : gaan naar, naderen (tot) (+dat. of ad/in + acc.)
°accendere,accendo,accendi,accensum : in brand steken, aansteken
°accendere,accendo,accendi,accensum : in brand steken, ophitsen
°accidere,accido,accidi,- : vallen op, gebeuren
°accipere,accipio,accepi,acceptum : aannemen, aanvaarden, krijgen
°accusator,accusatoris : aanklager, beschuldiger
°acer,acris,acre : scherp, heftig
°acerbus,acerba,acerbum : zuur
°acies,aciei (vr) : scherpte, leger (in slagorde), slaglinie
°actio,actionis (vr) : daad, handeling, proces
°ad + acc : naar, (tot) aan, bij
°ad summumnaar boven
°ad unum : tot de laatste man
°addere,addo,addidi,additum : toevoegen
°addere,addo,addidi,additum : toevoegen
°adducere,adduco,adduxi,adductum : brengen naar, bewegen tot
°adeo : zozeer, in die mate
°adesse,assum,affui,- : aanwezig zijn (+dat.), helpen
°adferre,adfero,attuli,allatum : brengen naar, dragen naar
°adhuc : nog
°adicere,adicio,adieci,adiectum : werpen bij, toevoegen
°adire,adeo,adii,aditum : gaan naar
°aditus,aditus (ml) : het naderen, toegang, ingang
°adiuvare,adiuvo,adiuvi,adiutum : helpen, ondersteunen
°administrare,administro,administravi,administratum : behulpzaam zijn, besturen, regelen
°admirandus,admiranda,admirandum : wonderbaarlijk, bewonderenswaardig
°admirari,admiror,admiratus sum,- : bewonderen, zich verwonderen
°admiratio,admirationis : bewondering
°admittere,admitto,admisi,admissum : toelaten, toestaan
°admovere,admoveo,admovi,admotum : bewegen naar/tot bij, brengen naar/tot bij
°adolere,adoleo,adolui,- : met offers eren, offeren; hier : overgieten
°adornare,adorno,adornavi,adornatum + abl. : voorzien van, uitrusten met
°adprehendere,adprehendo : grijpen, vastgrijpen
°adstare,adsto,adstiti,- : erbij staan, blijven staan
°adsurgere,adsurgo,adsurrexi,adsurrectum : zich verheffen, oprijzen
°adulescens,adulescentis : jongeman
°advenire,advenio,adveni,adventum : aankomen, arriveren
°adventus,adventus (ml) : komst, aankomst
°adversus + acc. : tegen
°adversus,adversa,adversum : tegenoverstaand, zich verzettend (tegen), ongunstig
°advocare,advoco,advocavi,advocatum : erbij roepen, bijeenroepen
°advocatus,advocati : helper, advocaat
°aedes,aedis : tempel; mv. huis, gebouw
°aedificare,aedifico : bouwen
°aedificium,aedificii : gebouw
°aedilis,aedilis : aediel
°aeger,aegra,aegrum : ziek
°aegre : met moeite, moeizaam, nauwelijks
°aeneus,aenea,aeneum : van brons gemaakt, bronzen
°aequabilis,aequabilis,aequabile : gelijkmatig
°aequalis,aequalis,aequale : gelijk
°aequor,aequoris (onz) : vlakte, zeespiegel
°aequus,aequa,aequum : effen, gelijk(matig), rechtvaardig
°aer,aeris (ml) : lucht, nevel
°aerarius,aerarii : kopersmid
°aes alienum,aeris alieni (onz.) : schulden
°aes,aeris (onz) : koper, brons, geld
°aestas,aestatis (vr) : zomer(hitte)
°aestus,aestus (ml) : hitte, gloed, brand
°aetas,aetatis (vr) : leeftijd, tijd(perk)
°aeternus,aeterna,aeternum : eeuwig, onvergankelijk
°aether,aetheris (ml) : bovenlucht, hemel
°aevum,aevi : tijd, eeuwigheid
°affectus,affectus (ml) : toestand, neiging, stemming
°afferre,affero,attuli,allatum : meebrengen, aanvoeren
°afficere,afficio,affeci,affectum : voorzien van, behandelen met
°ager,agri (ml) : akker
°agere,ago,egi,actum : doen, drijven, handelen
°agger,aggeris (ml) : wal, dam, dijk
°aggredi,aggredior,aggressus sum,- : gaan naar, aanvallen, beginnen
°agitare,agito,agitavi,agitatum : in beweging brengen, opjagen
°agmen,agminis (onz) : troep, menigte, leger op mars
°agnoscere,agnosco,agnovi,agnitum : herkennen, inzien
°ait (perf.): hij/zij zei, hij/zij zegt
°ala,alae (vr) : vleugel
°alba,albae : wit kleed
°alea,aleae : dobbelsteen
°alere,alo,alui,al(i)tum : voeden
°alescere,alesco,-,- : groter worden
°alia mente quam : op een andere manier dan
°alibi : ergens anders, elders
°alibi...alibi : hier ... Daar
°alienus,aliena,alienum : andermans, van een ander, vreemd
°alioqui : overigens, in andere gevallen, anders
°aliquando : in het verleden, ooit
°aliqui,aliqua,aliquod (onbep) : een of andere, enige, iemand (subst.)
°aliquis,aliquae/aliquis,aliquid (onbep) : iemand, iets, een of ander
°aliter : anders
°alius,alia,aliud (onbep) : ander
°alius...alius...,alia,aliud (onbep) : de ene...de andere..., (mv.) sommige(n)...andere(n)
°altar,altaris : offerhaard, altaar
°alter,altera,alterum (onbep) : de andere
°alter…alter…,altera,alterum (onbep) : de ene…de andere
°altitudo,altitudinis (vr) : hoogte, diepte
°altius : hoger, dieper
°altus,alta,altum : hoog, diep,
°amare,amo,amavi,amatum : beminnen, houden van, liefhebben
°amarus,amara,amarum : bitter, moeilijk, onaangenaam
°ambitio,ambitionis : ijdelheid, eerzucht, ambitie
°ambo,ambae,ambo : beide
°amica,amicae : vriendin
°amicitia,amicitiae (vr) : vriendschap
°amicus,amici (ml) : vriend
°amittere,amitto,amisi,amissum : wegzenden, verliezen
°amnis,amnis (ml) : rivier, stroom
°amor,amoris (ml) : liefde
°amovere,amoveo,amovi,amotum : verwijderen
°amplus,ampla,amplum : groot, ruim, belangrijk
°angustus,angusta,angustum : smal, eng, beperkt
°anima,animae (vr) : adem, geest, ziel
°animadvertere,animadverto,animadverti,animadversum : bemerken, waarnemen, zien
°animal,animalis (onz) : dier
°animos gerere,gero,gessi,gestum : gevoelens koesteren
°animus,animi (ml) : geest, gemoed, karakter
°annus,anni (ml) : jaar
°anser,anseris : gans
°ante + acc : voor, vooraleer
°ante : eerder, vroeger
°antea : eerder, vroeger
°anteire,anteeo,anteii,anteitum : gaan vóór; voorkomen, beletten, verijdelen
°antequam + ind. : vooraleer
°antiquitas,antiquitatis : oudheid, het verre verleden
°antiquus,antiqua,antiquum : oud
°antrum,antri (onz) : grot
°anus,anus : oude vrouw
°apertum,aperti : open ruimte, vrije ruimte, open lucht
°apertus,aperta,apertum : open, openlijk
°apis,apis : bij
°apparere,appareo,apparui,apparitum : verschijnen
°appellare,appello,appellavi,appellatum : roepen, noemen, benoemen (tot)
°appetere,appeto,appetivi,appetitum : verlangen naar
°apponere,appono,apposui,appositum : plaatsen bij, zetten bij
°approbare,approbo,approbavi,approbatum : goedkeuren
°apud + acc : bij
°aqua,aquae (vr) : water
°aquila,aquilae : arend, adelaar
°aquilifer,aquiliferi : vaandeldrager
°aquilo(sub),aquilonis : noorden
°ara,arae (vr) : altaar
°arbiter,arbitri : scheidsrechter
°arbitrari,arbitror,arbitratus sum,- : bekijken, oordelen, denken
°arbitrium,arbitrii : oordeel, macht, heerschappij
°arbor,arboris (vr) : boom
°arcessere,arcesso,arcessivi,arcessitum : ontbieden, halen
°ardere,ardeo,arsi,- : branden, gloeien
°arduus,ardua,arduum : steil, hoog
°area,areae : open plein, binnenplaats (van een huis)
°argenteus,argentea,argenteum : zilveren
°argumentum,argumenti (onz) : argument, bewijs(voering), onderwerp
°arma,armorum (onz) : wapens
°armare,armo,armavi,armatum : bewapenen
°armatus,armata,armatum : gewapend
°armentum,armenti (onz) : vee, kudde
°arripere,arripio,arrepi,arreptum : vastgrijpen, beginnen, aanvatten
°ars,artis (vr) : kunst, vaardigheid
°artifex,artificis (ml/vr) : kunstenaar, vakman
°artificium,artificii : kunstvaardigheid; handwerk, ambacht
°artus,arta,artum : nauw, eng
°arvum,arvi (onz) : akker, veld
°arx,arcis (vr) : versterkte burcht, bovenstad, vesting
°ascendere,ascendo,ascendi,ascensum : beklimmen
°asinus,asini : ezel
°aspectus,aspectus : blik, aanblik, zicht
°asper,aspera,asperum : ruw, hard, moeilijk
°aspicere,aspicio,aspexi,aspectum : aankijken, kijken naar
°asser,asseris : lat, paal
°assidere,assideo,assedi,assessum : zitten bij, zitten
°astrum,astri : ster
°at (neven) : maar
°ater,atra,atrum : duister, somber, zwart
°atque (neven) : en
°atqui (neven) : maar toch
°atrox,atrox,atrox (gen. atrocis) : afgrijselijk, gruwelijk
°attingere,attingo,attigi,attactum : aanraken
°attonitus,attonita,attonitum : geschokt, verbijsterd, ontzet
°attribuere,attribuo,attribui,attributum : toedelen, toewijzen, geven
°auctor,auctoris (ml/vr) : ontwerper, auteur, getuige
°auctoritas,auctoritatis (vr) : gezag, invloed
°audacia,audaciae : moed
°audax,audax,audax (gen. audacis) : dapper, moedig; overmoedig, brutaal
°audere,audeo,ausus sum,- : durven, wagen
°audire,audio,audivi,auditum : horen, luisteren
°auditus,audita,auditum : gehoord, geluisterd
°auferre,aufero,abstuli,ablatum : wegbrengen
°augere,augeo,auxi,auctum : uitbreiden, vermeerderen
°aura,aurae (vr) : briesje, adem, lucht
°auratus,aurata,auratum : met goud versierd, verguld
°aureus,aurea,aureum : gouden
°aureus,aurei : aureus (= 400 sestertiën), goudstuk
°auris,auris (vr) : oor
°aurum,auri (onz) : goud
°auspicium,auspicii : het observeren van vogels op zoek naar voortekens
°auster,austri (ml) : zuidenwind, zuiden
°aut (neven) : of
°aut ... aut ... : ofwel ... ofwel ...
°autem (neven) : echter, maar
°auxilium,auxilii (onz) : hulp, hulptroepen (mv.)
°avaritia,avaritiae (vr) : hebzucht, gierigheid
°ave! : gegroet, hallo
°aversari,aversor,aversatus sum + acc. : zich afwenden van
°aversatus,aversata,aversatum : zich afgewend hebbend van, afgewend van
°avertere,averto,averti,aversum : afwenden, verdrijven
°avia,aviae : grootmoeder
°avidus,avida,avidum : begerig
°avis,avis : vogel
°avitus,avita,avitum : van de grootvader
°avunculus,avunculi : oom (langs moederskant)
°avus,avi : grootvader
°barbarus,barbara,barbarum : vreemd, buitenlands
°barbarus,barbari (ml) : vreemdeling, buitenlander, barbaar
°basium,basii : kus
°beatus,beata,beatum : gelukkig, rijk
°bellicus,bellica,bellicum : van de oorlog, oorlogs-
°bellum indicere : de oorlog verklaren
°bellum,belli (onz) : oorlog
°bene : goed,
°beneficium,beneficii (onz) : weldaad, voorrecht, gunst
°bibere,bibo,bibi,- : drinken
°bis : tweemaal
°bis : tweemaal
°bonus,bona,bonum : goed
°bos,bovis (ml/vr) : rund, os (ml.), koe (vr.)
°bracchium,bracchii (onz) : arm
°brevitas,brevitatis : kortheid; hier : kleine gestalte
°bubalus,bubali : buffel
°bucina,bucinae : trompet, trompetsignaal
°caballus,caballi : paard
°cadere,cado,cecidi,- : vallen
°caecus,caeca,caecum : blind, onzichtbaar, duister
°caedere,caedo,cecidi,caesum : doden, vermoorden
°caedes,caedis (vr) : moord
°caelestes,caelestium : hemelgoden, goden
°caelestis,caelestis,caeleste : van de hemel, hemels, hemel-
°caelum,caeli (onz) : hemel
°caementum,caementi : gehouwen steen,steenslag; kalkmortel,specie
°caespes,caespitis : graszode, aarde, grond
°calamitas,calamitatis : ramp
°calcare,calco,calcavi,calcatum : trappen op, vertrappen
°calciare,calcio,calciavi,calciatum : schoenen aantrekken
°calidus,calida,calidum : warm, heet; ijverig
°caligo,caliginis : nevel; duisternis
°calvus,calva,calvum : kaal
°calx,calcis : hiel; trap, schop
°campus Martius,campi Martii : het Marsveld (in Rome)
°campus,campi (ml) : vlakte, veld
°candidus,candida,candidum : wit
°canere,cano,cecini,- : (be)zingen
°canis,canis (ml/vr) : hond
°cantherius,cantherii : werkpaard, knol
°cantica,canticae : gezang
°canus,cana,canum : grijs
°capere,capio,cepi,captum : innemen, nemen, grijpen
°capillus,capilli : (hoofd)haar
°captare,capto : vangen
°captivus,captivi (ml) : gevangene
°captus,capta,captum : genomen, gegrepen, gevangen; veroverd
°caput,capitis (onz) : hoofd, kop
°carcer,carceris : gevangenis, startblok
°carere,careo,carui,- + abl. : vrij zijn van, verlost zijn van, niet hebben
°carica,caricae : dadel
°caritas,caritatis : genegenheid, affectie, liefde
°carmen,carminis (onz) : lied, gedicht
°carnificina,carnificiae : foltering, maltering
°caro,carnis : vlees
°carpere,carpo,carpsi,carptum : plukken
°carus,cara,carum : dierbaar, duur
°casa,casae : hut
°caseus,casei : kaas, een stuk kaas
°castellum,castelli (onz) : fort, hoeve
°castra,castrorum (onz) : kamp
°casus,casus (ml) : val, voorval, toeval
°catellus,catelli : hondje
°catena,catenae : ketting
°cauda,caudae : staart
°caupo,cauponis (ml.) : herbergier
°causa,causae (vr) : zaak, oorzaak, proces
°cavere,caveo,cavi,cautum : oppassen voor; bepalen, vastleggen (in een wet)
°cavus,cava,cavum : hol, gewelfd
°cavus,cava,cavum : hol, leeg
°cedere,cedo,cessi,cessum : (voort)gaan, wijken
°celare,celo,celavi,celatum : verbergen
°celeber,celebris,celebre (gen. celebris) : drukbezocht, dichtbevolkt; beroemd
°celer,celeris,celere : snel, vlug
°celeritas,celeritatis (vr) : snelheid
°celeriter : snel
°cenaculum,cenaculi : eetkamer, flat op een verdieping
°censere
°census,census : vermogen, rijkdom
°centies : honderdmaal
°centies sestertium : 10 miljoen sestertiën
°centum : honderd
°centurio,centurionis (ml) : honderdman, centurio
°cera,cerae : bijenwas, was
°cerebrum,cerebri : hersenen; schedel
°cernere,cerno,crevi,cretum : zien, onderscheiden, besluiten
°certamen,certaminis (onz) : wedstrijd, strijd
°certare,certo,certavi,certatum : strijden, wedijveren
°certus,certa,certum : zeker, bepaald
°cerussa,cerussae : loodwit
°cervical,cervicalis : hoofdkussen
°cervix,cervicis : hals, nek
°ceterum : overigens, voor het overige
°ceterus,cetera,ceterum : overig, ander
°chaos (geen gen. - onz.) : chaos
°cibus,cibi : voedsel
°cicada,cicadae : krekel
°cingere,cingo,cinxi,cinctum : omgorden, omgeven, omringen
°cinis,cineris (ml.) : as
°circa + acc : rond(om), nabij, omstreeks
°circenses,circensium : circusspelen
°circiter : ongeveer
°circum + acc : rond(om), (dicht) bij, langs
°circum : rondom, in de buurt
°circumarare,circumaro,circumaravi,circumaratum : omploegen
°circumdare,circumdo,circumdedi,circumdatum : omgeven
°circumsonare,circumsono,circumsonavi,circumsonatum : rondom weerklinken, weergalmen
°circumspicere,circumspicio,circumspexi,circumspectum : rondkijken, voorzichtig zijn
°circumstare,circumsto,circumsteti,- : staan rondom, omsingelen
°circumvenire,circumvenio,circumveni,circumventum : omringen, omgeven, omsingelen
°cito : snel, gauw, vlug
°citus,cita,citum : in beweging gezt, hier : aangewakkerd
°civilis,civilis,civile : burgerlijk, van een burger, burger-
°civis,civis (ml/vr) : burger
°civitas,civitatis (vr) : burgerrecht, stad, staat
°clamare,clamo,clamavi,clamatum : roepen, schreeuwen
°clamor,clamoris (ml) : geroep, kreet
°clangor,clangoris : gekrijs, gekwaak
°claritas,claritatis : helderheid
°clarus,clara,clarum : helder, beroemd
°classicum,classici : trompetsignaal
°classis,classis (vr) : vloot
°claudere,claudo,clausi,clausum : sluiten
°clausus,clausa,clausum : gesloten
°clavus,clavi : spijker
°coemere,coemo,coemi,coemptum : opkopen, kopen
°coepisse, - ,coepi,coeptum : begonnen zijn, beginnen
°cogere,cogo,coegi,coactum : dwingen, samendrijven
°cogitare,cogito,cogitavi,cogitatum : nadenken
°cogitatio,cogitationis (vr) : overleg, idee, gedachte
°cognoscere,cognosco,cognovi,cognitum : leren kennen, vernemen, herkennen
°cohaerescere,cohaeresco,cohaesi,- : samenhangen, samenkleven
°cohors,cohortis (vr) : cohorte
°cohortari,cohortor,cohoratus sum,- : aansporen, aanmoedigen
°colere,colo,colui,cultum : bebouwen, bewonen, vereren
°colligere,colligo,collegi,collectum : verzamelen
°collis Aventinus,collis Aventini : de Aventijse heuvel, de Aventijn
°collis Palatinus,collis Palatini : de Palatijnse heuvel, de Palatijn
°collis,collis (ml) : heuvel
°collocare,colloco,collocavi,collocatum : plaatsen, leggen, vestigen
°collum,colli (onz) : hals
°colonia,coloniae : kolonie, nederzetting
°color,coloris (ml) : kleur
°comedere,comedo,comedi,comesum : opeten
°comes,comitis (ml/vr) : gezel, gezellin
°comitas,comitatis : vriendelijkheid, beleefdheid
°commeatus,commeatus (ml) : verkeer, verlof, transport
°commenticius,commenticia,commenticium : uitgevonden, verzonnen, vergezocht
°commiscere,commisceo,commiscui,commixtum : vermengen
°committere,committo,commisi,commissum : organiseren
°committere,committo,commisi,commissum : samenvoegen, begaan/plegen, toevertrouwen
°commodum,commodi : voordeel, nut
°commodus,commoda,commodum : gunstig, voordelig, aangenaam
°communis,communis,commune : gemeenschappelijk
°comparare,comparo,comparavi,comparatum : vergelijken; voorbereiden, klaarmaken
°compes,compedis : voetboei
°complere,compleo,complevi,completum : vullen, aanvullen
°completus,completa,completum : gevuld, vol
°complures,complures,complura : verscheidene, vele
°comprehendere,comprehendo,comprehendi,comprehensum : vastgrijpen, arresteren
°conari,conor,conatus sum,- : trachten, ondernemen
°concedere,concedo,concessi,concessum : wijken, toestaan
°concidere,concido,concidi,- : verslaan, in de pan hakken
°concilium,concilii (onz) : vereniging, vergadering
°conclamare,conclamo,conclamavi,conclamatum : tezamen roepen, luidkeels roepen, luid verkondigen
°concubinus,concubini : minnaar
°concumbere,concumbo,concubui,concubitum : naar bed gaan, in bed liggen, slapen
°concupiscere,concupisco,concupivi,concupitum : wensen, (hevig) verlangen
°concurrere,concurro : samenlopen
°condere,condo,condidi,conditum : stichten, opbergen
°condicio,condicionis (vr) : afspraak, voorwaarde, omstandigheden
°conditus,condita,conditum : gesticht
°conductor,conductoris : huurder
°confectus,confecta,confectum : uitgeput
°conferre,confero,contuli,collatum : bijeenbrengen, verzamelen, vergelijken
°confertissimus,confertissima,confertissimum : zeer dicht opeengepakt, zeer ondoordringbaar
°confertus,conferta,confertum : dicht opeengepakt, ondoordringbaar
°conficere,conficio,confeci,confectum : bijeenbrengen, vervaardigen, voltooien
°confidere,confido,confisus sum,- : vertrouwen op (+dat.)
°confingere,confingo,confinxi,confictum : verzinnen,bedenken; bouwen,construeren,maken
°confirmare,confirmo,confirmavi,confirmatum : versterken, bekrachtigen, aanmoedigen
°confodere,confodio,confodi,confossum : doorsteken, doorboren
°confundere,confundo,confudi,confusum : samengieten, vermengen, verenigen; in de war brengen
°conicere,conicio,conieci,coniectum : (bijeen)werpen, verzamelen
°coniugium,coniugii : huwelijk
°coniungere,coniungo,coniunxi,coniunctum : verbinden, verenigen
°coniunx,coniugis (ml/vr) : echtgenoot, echtgenote
°coniuratio,coniurationis (vr) : verbintenis, samenzwering
°conquirere,conquiro,conquisivi,conquisitum : bijeenzoeken, bijeenbrengen
°conscius,conscia,conscium + gen. : medewetend, op de hoogte van
°conscribere,conscribo,conscripsi,conscriptum : op een lijst samenbrengen, opschrijven, rekruteren
°consecratus,consecrata,consecratum : gewijd aan, ter ere van
°consensus,consensus : overeenkomst, instemming
°consentire,consentio,consensi,consensum : overeenstemmen, het eens zijn, in harmonie zijn
°considerare,considero,consideravi,consideratum : beschouwen, overwegen
°considere,consido,consedi,consessum : gaan zitten, zich vestigen, zitting houden
°consilia habere : overleg plegen
°consilium petere a(b) + abl. : raad vragen aan
°consilium,consilii (onz) : plan, besluit, raad
°consistere,consisto,constiti,- : gaan staan, blijven staan
°conspectus,conspectus (ml) : zicht, gezichtsveld
°conspicere,conspicio,conspexi,conspectum : bemerken, bekijken, aanschouwen
°conspiciendus,conspicienda,conspiciendum : opvallend
°conspirare,conspiro,conspiravi,conspiratum : samenzweren, hier : afspreken
°conspiratus,conspirati : samenzweerder
°constituere,constituo,constitui,constitutum : oprichten, bepalen, beslissen
°constitutio,constitutionis (vr) : toestand, decreet, organisatie
°constringere,constringo,constrinxi,constrictum : samenbinden,vastbinden
°consuescere,consuesco,consuevi,consuetum : wennen, gewoon raken
°consuetudo,consuetudinis (vr) : gewoonte
°consul,consulis (ml) : consul
°consularis,consularis,consulare : van de consul, consulair
°consulere,consulo,consului,consultum : raadplegen, overwegen, overleggen
°consultare,consulto,consultavi,consultatum : ernstig nadenken, beraadslagen, overleggen
°consulto : met opzet, opzettelijk
°consumere,consumo,consumpsi,consumptum : verbruiken
°contendere,contendo,contendi,contentum : (aan)spannen, streven naar, strijden
°contentus,contenta,contentum : gespannen, tevreden (met) + abl.
°continere,contineo,continui,- : bijeenhouden, inhouden, tegenhouden
°contingere,contingo,contigi,contactum : (aan)raken
°continuo : voortdurend
°contio,contionis : vergadering (van het volk, van soldaten)
°contra + acc : tegenover, tegen
°contra : daarentegen, daartegenover
°contrahere,contraho,contraxi,contractum : samentrekken, verzamelen
°contrarius,contraria,contrarium : tegenoverliggend, tegengesteld
°convenire,convenio,conveni,conventum : samenkomen, overeenkomen
°convenito : moet zich wenden tot
°conversus,conversa,conversum ad + acc. : gericht naar
°convertere,converto,converti,conversum : omkeren, verandere
°convivium,convivii : gastmaal, feestmaal, banket
°cooperire,cooperio,cooperui,coopertum : bedekken
°copia,copiae (vr) : voorraad, hoeveelheid, menigte
°copiae (mv.),copiarum (vr) : troepen, strijdkrachten
°coquus,coqui : kok
°cor,cordis (onz) : hart
°cornu,cornus (onz) : hoorn, vleugel (van leger),
°corpus,corporis (onz) : lichaam
°corripere,corripio,corripui,correptum : grijpen, aantasten
°corrotundare,corrotundo,corrotundavi,corrotundatum : afronden; hier : verdienen
°corrumpere,corrumpo,corrupi,corruptum : vernielen, vernietigen
°cortina,cortinae : ketel
°corvus,corvi : raaf
°cotidianus,cotidiana,cotidianum : dagelijks
°creare,creo,creavi,creatum : scheppen, voortbrengen, kiezen, aanstellen
°creber,crebra,crebrum : talrijk, veelvuldig
°credere,credo,credidi,creditum : geloven (+dat.), vertrouwen
°creditor,creditoris : schuldeiser
°crepitus,crepitus : het ratelen, het klapperen
°crescere,cresco,crevi,cretum : groeien
°crinis,crinis (ml.) : haar
°cruciatus,cruciatus : foltering, maltering
°crudelis,crudelis,crudele : wreed
°cruentus,cruenta,cruentum : bloederig, wreed
°crus,cruris (onz) : been
°cubiculum,cubiculi : slaapkamer
°cubile,cubilis : bed
°cubitus,cubiti : elleboog
°culpa,culpae : schuld, verantwoordelijkheid
°cultus,cultus : zorg, verzorging, geestelijke ontwikkeling, beschaving, kledij
°cum(vgw) (onder) : toen, omdat, hoewel
°cum(vz) + abl : met, samen met
°cumulare,cumulo,cumulavi,cumulatum : opstapelen; vergroten, verergeren
°cunctus,cuncta,cunctum : geheel, alle, alles
°cupere,cupio,cupivi,cupitum : verlangen, wensen, begeren
°cupido,cupidinis (vr) : verlangen, begeerte, liefde
°cur (bijw) : waarom?
°cura,curae (vr) : zorg, verzorging, bezorgdheid
°curare,curo,curavi,curatum : zorgen (voor), verzorgen
°currere,curro,cucurri,cursum : lopen,rennen
°currus,currus (ml) : strijdwagen, wagen
°cursus,cursus (ml) : loop, ren
°curvare,curvo,curvavi,curvatum : krom maken, krommen
°custodia,custodiae : bewaking, gevangenschap
°custos,custodis (ml/vr) : bewaker
°damnare,damno,damnavi,damnatum : veroordelen
°dare,do,dedi,datum : geven
°datus,data,datum : gegeven
°de + abl : van(af), over
°dea,deae (vr) : godin
°dea,deae : godin
°debere,debeo,debui,debitum : verschuldigd zijn, moeten
°debilis,debilis,debile : zwak, gebrekkig
°decedere,decedo,decessi,decessum : afdalen, weggaan, sterven
°decem : tien
°decernere,decerno,decrevi,decretum : beslissen, oordelen
°decimus,decima,decimum : tiende
°decipere,decipio,decepi,deceptum : misleiden, bedriegen
°declinare,declino,declinavi,declinatum : verbuigen
°decurrere,decurro,de(cu)curri,decursum : naar beneden lopen
°decus,decoris (onz) : eer, bekoorlijkheid
°decus,decoris : sieraad, schoonheid
°dedere,dedo,dedidi,deditum : overgeven, uitleveren, wijden aan
°deditio,deditionis (vr) : overgave, uitlevering, onderwerping
°deditio,deditionis : overgave
°deducere,deduco,deduxi,deductum : wegleiden, naar beneden leiden
°deesse,desum,defui,- : ontbreken
°defendere,defendo,defendi,defensum : beschermen, verdedigen
°deferre,defero,detuli,delatum : naar beneden dragen, wegbrengen, overbrengen
°deficere,deficio,defeci,defectum : ontbreken; hier : de moed opgeven
°deficere,deficio,defeci,defectum : ontrouw worden, ontbreken, afvallig worden
°defigere,defigio,defixi,defixum : (de ogen of aandacht- strak richten op
°deflectere,deflecto,deflexi,deflectum : ombuigen, afzwenken
°defundere,defundo,defudi,defusum : uitgieten; hier : naar beneden gooien
°dehiscere,dehisco,-,- : openbarsten, splijten
°deicere,deicio : neerwerpen, werpen in
°deinde : vervolgens, daarna
°delectare,delecto,delectavi,delectatum : aantrekken, bekoren, een plezier doen
°deliciae,deliciarum (enkel mv.) : genot, genoegens; lieveling
°delictum,delicti : misdrijf, misdaad
°deligare,deligo,deligavi,deligatum : vastbinden
°deligere,deligo,delegi,delectum : plukken, (uit)kiezen, verkiezen
°delirare,deliro,deliravi,deliratum : krankzinnig zijn
°demergere,demergo,demersi,demersum : onderdompelen
°demetere,demeto,demessui,demessum : afsnijden
°demigrare,demigro,demigravi,demigratum : weggaan
°deminuere,deminuo,deminui,deminutum : verminderen
°demittere,demitto,demisi,demissum : naar beneden zenden, doen neerdalen; loslaten
°demittere,demitto,demisi,demissum : naar beneden zenden, laten zakken
°demonstrare,demonstro,demonstravi,demonstratum : aanduiden, beschrijven, bewijzen
°denique : tenslotte, kortom
°dens,dentis (ml.) : tand
°densus,densa,densum : dicht opeengepakt, ondoordringbaar
°depellere,depello,depuli,depulsum : verdrijven, wegjagen, verwijderen
°deportare,deporto : wegvoeren, wegdragen
°deridere,derideo,derisi,derisum : uitlachen, spotten met
°descendere,descendo,descendi,descensum : afdalen, naar beneden gaan
°describere,describo,descripsi,descriptum : opschrijven, beschrijven
°deserere,desero,deserui,desertum : verlaten, in de steek laten
°deses,deses,deses (gen. desidis) : traag, lui ; subts : luierik
°desiderare,desidero,desideravi,desideratum : verlangen, wensen, begeren
°desiderium,desiderii (onz) : verlangen
°desilire,desilio,desilui,desultum : naar beneden springen
°desipere,desipio,-,- : dwaas zijn, gek zijn
°desperata saluteomdat ze geen hoop op redding meer hebben
°despicere,despicio,despexi,despectum : minachten, neerkijken op
°detinere,detineo,detinui,detentum : vasthouden, tegenhouden
°detrahere,detraho,detraxi,detractum : (naar beneden) trekken
°detrahere,detraho,detraxi,detractum : naar beneden trekken, wegtrekken
°detrectare,detrecto,detrectavi,detrectatum + acc. : zich onttrekken aan
°deurere,deuro,deussi,deustum : verbranden
°deus,dei (ml) : god
°devorare,devoro,devoravi,devoratum : verslinden, doorslikken, opslokken
°devovere,devoveo,devovi,devotum : als offer beloven, beloven
°dexter,dextra,dextrum : rechter , rechts
°di = dei
°dicam : ik zou zeggen
°dicere,dico,dixi,dictum : zeggen, spreken, noemen
°dictator,dictatoris : dictator
°dictum,dicti (onz) : gezegde, woord
°dictum,dicti : uitspraak, gezegde, woord
°dictus,dictus : het spreken, het zeggen
°dies,diei (ml/vr) : dag
°differre,differo,distuli,dilatum : verspreiden, verschillen
°difficilis,difficilis,difficile : moeilijk
°diffundere,diffundo,diffudi,diffusum : uitgieten, in verschillende richtingen laten stromen
°digitus,digiti : vinger
°dignus,digna,dignum : waard(ig) (+abl.)
°dilabi,dilabor,dilapsus sum : verdwijnen
°diligere,diligo,dilexi,dilectum : liefhebben
°diluvium,diluvii : overstroming, zondvloed
°dimicandi : om te vechten, om te strijden
°dimicare,dimico,dimicavi,dimicatum : vechten, strijden
°dimidius,dimidia,dimidium : half
°dimittere,dimitto,dimisi,dimissum : in alle richtingen zenden, wegzenden, laten (uiteen)gaan
°direptio,direptionis : vernietiging
°dirigere,dirigo,direxi,directum : richten, mikken, werpen
°diripere,diripio,diripui,direptum : lostrekken, stelen, plunderen
°dirus,dira,dirum : verschrikkelijk
°discedere,discedo,discessi,discessum : uiteengaan, vertrekken
°discere,disco,didici,- : leren, (be)studeren
°disciplina,disciplinae : onderwijs, wetenschap
°discrimen,discriminis : onderscheid
°discurrere,discurro : uit elkaar rennen, zich verspreiden
°disicere,disicio,disieci,disiectum : uit elkaar gooien, uiteendrijven; van haren : loshangen
°dissolvere,dissolvo,dissolvi,dissolutum : losmaken, uiteen doen vallen
°disturbare,disturbo,disturbavi,disturbatum : verstoren,storen; vernietigen, verwoesten
°diu : (sinds) lange tijd
°diversus,diversa,diversum : uiteenlopend, afzonderlijk, verschillend
°dives,dives,dives : rijk
°dividere,divido,divisi,divisum : (ver)delen, scheiden, splitsen
°divinus,discriminis : onderscheid
°divitiae,divitiarum (vr) : rijkdom, bezittingen
°divum,divi : de blote hemel, open lucht
°divus,diva,divum : goddelijk
°docere,doceo,docui,doctum : onderwijzen, (aan)leren
°dolere,doleo,dolui,dolitum : pijn doen, pijn hebben
°dolor,doloris (ml) : verdriet, pijn, smart
°dolosus,discurro,dis(cu)curri,discursum : uit elkaar rennen, zich verspreiden
°dolus,doli (ml) : list, bedrog
°domare,domo,domui,domitum : temmen
°domesticus,domestica,domesticum : huiselijk, privé; binnenlands
°dominari,dominor,dominatus sum in + acc. : heersen over, de baas zijn over
°dominus,domini : heer, meester
°domum servare : het huishouden runnen
°domus,domus (vr) : huis
°donare,dono,donavi,donatum : geven, schenken
°donec + ind. : zolang als, totdat
°dono dare,do,dedi,datum : ten geschenke geven, als geschenk geven
°donum,doni (onz) : geschenk
°dormire,dormio,dormivi,dormitum : slapen
°draco,draconis : slang, draak
°dubitare,dubito,dubitavi,dubitatum : (be)twijfelen, overwegen
°dubium,dubii : twijfel
°dubius,dubia,dubium : twijfelend, onzeker
°ducere,duco,duxi,ductum : leiden, voeren, brengen
°ductio,ductionis : (water)leiding
°dulcis,dulcis,dulce : zoet, zacht, aangenaam
°dum (onder) : terwijl, zolang, totdat
°dum (onder) : totdat, als...maar, mits
°dummy
°dummy
°duo,duae,duo : twee
°duodecim : twaalf
°durare,duro,duravi,duratum : hard maken, verharden, hard worden
°durus,dura,durum : hard, wreed
°dux,ducis (ml/vr) : leider
°e + abl : (van)uit, van(af)
°e composito : op afspraak, zoals afgesproken is
°ea (bijw.) : daarlangs
°ebrietas,ebrietatis (vr) : dronkenschap
°ebrius,ebria,ebrium : dronken (subst. : dronkelap)
°ecce : kijk!, ziedaar!
°edere(1),edo,edi,esum : eten, opeten, opvreten
°edere(2),edo,edidi,editum : uitgeven; organiseren
°edere,edo,edidi,editum : voortbrengen, ter wereld brengen
°edicere,edico,edixi,edictum : verkondigen; bepalen,bevelen
°edictum,edicti : besluit, edict
°ediscere,edisco,edidici,- : uit het hoofd leren
°editum,editi : hoogte (bedoeld zijn hier de hoger gelegen delen van de stad)
°educare,educo : opvoeden
°educere,educo,eduxi,eductum : wegleiden, naar buiten brengen
°efferre,effero,extuli,elatum : naar buiten dragen, wegvoeren
°effigies,effigiei : beeld
°effingere,effingo,effinxi,effictum : afbeelden, nabootsen
°efflare,efflo,efflavi,efflatum : uitblazen, uitademen
°effundere,effundo,effudi,effusum : uitgieten, loslaten
°egere,egeo,egui,- + gen. : niet hebben, ontbreken
°ego(pers) : ik
°egredi,egredior,egressus sum,- : gaan uit, weggaan
°eicere,eicio : weggooien, buitengooien
°elatus,elata,elatum : verheven
°elegantia,elegantiae : elegantie, charme
°elephantus,elephanti : olifant
°eligere,eligo,elegi,electum : uitkiezen, kiezen tot
°eligere,eligo,elegi,electum : uittrekken, uitkiezen, uitzoeken
°emendare,emendo,emendavi,emendatum : verbeteren
°emere,emo,emi,emptum : kopen
°emergere,emergo,emersi,emersum : opduiken, te voorschijn komen
°emigrare,emigro,emigravi,emigratum : verhuizen, wegtrekken
°emittere,emitto,emisi,emissum : wegzenden
°en : kijk!, ziedaar!
°enim (neven) : immers, want, namelijk
°eo : daarheen
°eo : daarheen
°epistula,epistulae (vr) : brief
°epulae,epularum (mv.) : maaltijd, feestmaal
°eques,equitis (ml) : ruiter, ridder
°equester,equestris,equestre : ruiter-
°equidem : zeker, weliswaar, inderdaad
°equitatus,equitatus (ml) : ruiterij
°equus,equi (ml) : paard
°erepere,erepo,erepsi,ereptum : te voorschijn kruipen, omhoogkruipen
°erga + acc. : tegenover; ten opzichte van
°ergastulum,ergastuli : privé-gevangenis (in een villa rustica), slavengevangenis
°ergo : dus, bijgevolg
°eripere,eripio,eripui,ereptum : wegrukken, ontnemen, uittrekken
°errare,erro,erravi,erratum : (rond)dwalen, zich vergissen
°esse,sum,fui,- : zijn, bestaan
°et (neven) : en, ook
°etenim : want, immers; zeker, inderdaad
°etiam (neven) : zelfs, ook
°etiamnunc : ook nu nog, nog altijd
°etiamsi (onder) : ook als, zelfs indien
°etsi+ ind. : hoewel, ook al
°evellere,evello,evelli,evulsum : uittrekken, uitrukken
°ex + abl : (van)uit, van(af)
°excedere,excedo,excessi,excessum : weggaan (uit), te buiten gaan
°excidere,excido,excisi,excisum : (om)hakken, (af)snijden, verwoesten, vernielen
°excipere,excipio,excepi,exceptum : uitnemen, opvangen
°excitare,excito,excitavi,excitatum : ophitsen, aansporen
°exclamare,exclamo,exclamavi,exclamatum : uitroepen,roepen
°excolere,excolo,excolui,excultum : versieren, verfraaien
°excusare,excuso : verontschuldigen, rechtvaardigen
°exedere,exedo,exedi,exesum : opeten, opvreten
°exemplum,exempli (onz) : voorbeeld
°exemplum,exempli : voorbeeld
°exercere,exerceo,exercui,exercitum : vermoeien, (be)oefenen, in beweging zetten
°exercitatus,exercitata,exercitatum : geoefend, getraind
°exercitium,exercitii : oefening, training, drillen
°exercitus,exercita,exercitum : geoefend, zwaar beproefd, moeilijk, zwaar, vol ongemak
°exercitus,exercitus (ml) : leger
°exhibere,exhibeo,exhibui,exhibitum : organiseren, opvoeren, laten optreden
°exilium,exilii : verbanning
°eximius,eximia,eximium : buitengewoon,uitzonderlijk,uitstekend
°exire,exeo,exii,exitum : naar buiten gaan, weggaan
°existimare,existimo,existimavi,existimatum : achten, menen, (be)oordelen
°exitus,exitus (ml) : uitgang, uitweg, afloop
°expellere,expello,expuli,expulsum : verdrijven, verjagen
°experientia,experientiae : ervaring
°experiri,experior,expertus sum,- : testen, ondervinden
°explorare,exploro,exploravi,exploratum : observeren, verkennen, onderzoeken
°expositus,exposita,expositum ad + acc. : belust op
°exprimere,exprimo,expressi,expressum : uitdrukken, weergeven
°expugnatio,expugnationis : belegering
°exscribere,exscribo,exscripsi,exscriptum : opschrijven
°exsequi,exsequor,exsecutus sum : uitvoeren, voltooien
°exspectare,exspecto,exspectavi,exspectatum : (af)wachten, hopen
°exstinguere,exstinguo,exstinxi,exstinctum : uitdoven, vernietigen
°exstruere,exstruo,exstruxi,exstructum : oprichten, bouwen
°extemplo (bijw) : onmiddellijk,dadelijk
°extendere,extendo,extendi,extentum/extensum : uitspreiden, uitbreiden
°exter,extera,exterum : die zich buiten bevindt, buitenlands
°extergere,extergeo,extersi,extersum : afvegen, schoonvegen
°exterus,extera,exterum : buitenland, zich buiten bevindend
°extra + acc : buiten, behalve
°extremus,extrema,extremum : uiterste, laatste
°exuere,exuo,exui,exutum + abl. = uittrekken; zich ontdoen van; hier : verkopen
°exurere,exuro,exussi,exustum : verbranden
°faba,fabae : boon, bonen
°fabricator,fabricatoris : vervaardiger, maker, ontwerper
°fabula,fabulae : verhaal, fabel
°facere,facio,feci,factum : doen, maken
°facies,faciei (vr) : gezicht, uitzicht
°facile : gemakkelijk, moeiteloos
°facilis,facilis,facile : gemakkelijk
°facilitas,facilitatis : gemakkelijkheid, inschikkelijkheid, toegevendheid
°facinus,facinoris (onz) : misdaad, daad
°factum,facti (onz) : daad, werk, feit
°facultas,facultatis (vr) : mogelijkheid, gelegenheid
°facultas,facultatis : mogelijkheid; kwaliteit, talent
°fallere,fallo,fefelli,- : bedriegen, misleiden
°falsus,falsa,falsum : vals, onwaar, bedrieglijk
°falx,falcis : zeis
°fama,famae (vr) : gerucht, faam, roem
°famelicus,famelica,famelicum : hongerig
°fames,famis (vr) : honger, hongersnood
°familia,familiae : familie
°famosus,famosa,famosum : beroemd, bekend, berucht
°fanaticus,fanatica,fanaticum : door een godheid tot razernij gebracht, razend
°fari,for,fatus sum,- : zeggen, spreken
°fateri,fateor,fassus sum : bekennen, toegeven
°fatum,fati (onz) : lot, noodlot
°favere,faveo,favui,fautum + dat. : iemand gunstig gezind zijn, begunstigen, steunen, toegewijd zijn aan
°favor,favoris : gunst, begunstiging
°favus,favi : honingraat, honing
°fax,facis : fakkel
°fecunditas,fecunditatis : vruchtbaarheid
°felicior,felicior,felicius (gen. felicioris) : gelukkiger, voorspoediger, succesvoller
°felicitas,felicitatis (vr) : overvloed, geluk
°felix,felix,felix : gelukkig, voorspoedig
°femina,feminae : vrouw
°fenerare,fenero,feneravi,feneratum + acc. : geld lenen aan, financieren
°fenestra,fenestrae : venster
°fera,ferae (vr) : wild dier
°feralis,feralis,ferale : behorend tot de doden, doden- , rouw-
°fere : bijna, ongeveer
°ferire,ferio,-,- : slaan,stoten
°fermentum,fermenti : gist, gisting
°ferre,fero,tuli,latum : brengen, dragen, zeggen
°ferreus,ferrea,ferreum : ijzeren
°ferrum,ferri (onz) : ijzer, wapen
°ferula,ferulae : rietstok
°ferus,fera,ferum : wild
°fessus,fessa,fessum : vermoeid, moe
°festinare,festino,festinavi,festinatum : zich haasten
°fetus,fetus (ml) : vrucht
°fibra,fibrae : vezel; mv : ingewanden
°fidelis,fidelis,fidele : trouw
°fidere,fido,fisus sum + dat. : vertrouwen op
°fides,fidei (vr) : trouw, vertrouwe
°fiducia,fiduciae (vr) : vertrouwen, moed
°fieri,fio,factus sum,- : worden, ontstaan, gebeuren
°figere,figo,fixi,fixum : vasthechten, steken
°figura,figurae : gestalte, uiterlijk, vorm
°filia,filiae : dochter
°filius,filii (ml) : zoon
°finis,finis (vr) : grens, einde, grondgebied (mv)
°finitimus,finitima,finitimum : aangrenzend, naburig (+dat.)
°firmitas,firmitatis : sterkte, stevigheid
°fiscus,fisci : mandje
°fistula,fistulae : pijp, buis
°flamen,flaminis (ml.) : priester
°flamma,flammae (vr) : vlam, vuur (mv.)
°flectere,flecto,flexi,flexum : buigen, ombuigen, verwurmen
°flexus,flexus : buiging, bocht
°flos,floris (ml) : bloem
°fluctus,fluctus (ml) : golf, vloed
°fluctus,fluctus : golf
°fluere,fluo,fluxi,fluctum : vloeien, voortvloeien
°flumen,fluminis (onz) : stroom, rivier
°fluvius,fluvii : rivier
°foculum,foculi : haardje
°foculus,foculi : haard, haardvuur, kleine offerhaard
°foedus,foeda,foedum : lelijk, afstotelijk
°folium,folii : blad
°follis,follis : geldbuidel, beurs
°fons,fontis (ml) : bron
°foras (bijw.) : naar buiten
°forma,formae (vr) : vorm, figuur, schoonheid
°formare,formo,formavi,formatum : vormen, maken
°formica,formicae : mier
°formido,formidinis (vr) : vrees
°fortasse : misschien
°forte : toevallig, net
°fortior,fortior,fortius (gen. fortioris) : dapperder, moediger, sterker
°fortis,fortis,forte : sterk, dapper, moedig
°fortitudo,fortitudinis (vr) : kracht, dapperheid
°fortuitus,fortuita,fortuitum : toevallig, willekeurig, spontaan
°fortuna,fortunae (vr) : lot, toeval, (on)geluk
°forum,fori (onz) : forum, markt
°fossa,fossae (vr) : gracht, gang
°fractus,fracta,fractum : gebroken, gebarsten
°frangere,frango,fregi,fractum : (ver)breken
°frater,fratris (ml) : broer
°frequenter (bijw.) : vaak
°frequentius : vaker, nogal vaak, al te vaak
°fretum,freti : zee
°frigidus,frigida,frigidum : koud, koel
°frigus,frigoris (onz) : koude, rilling
°frons,frontis (vr) : voorhoofd, gelaat
°fructuosus,fructuosa,fructuosum : lonend, voordelig, nuttig
°fructus,fructus : vrucht; opbrengst
°frui,fruor,fructus sum,- : genieten (van) (+abl.)
°frumentarius,frumentaria,frumentarium : betrekking hebbend op de graanlevering
°frumentum,frumenti (onz) : graan
°frustra : tevergeefs, valselijk
°frux,frugis (vr) : vrucht
°fuga,fugae (vr) : vlucht
°fugare,fugo : op de vlucht jagen, verdrijven
°fugere,fugio,fugi, : vluchten, ontvluchten
°fulgor,fulgoris : bliksem; glans, schittering, gloed
°fulgur,fulguris : bliksem
°fulmen,fulminis : bliksemschicht, bliksem
°fumus,fumi : rook
°fundere,fundo,fudi,fusum : (uit)gieten, verjagen
°fundus,fundi : grond, bodem
°funebris,funebris,funebre : begrafenis-
°funus,funeris : begrafenis, begrafenisstoet
°furiosus,furiosa,furiosum : razend, waanzinnig
°furor,furoris (ml) : razernij, waanzin
°fustis,fustis (ml) : knuppel, stok
°gaudere,gaudeo,gavisus sum,- : blij zijn, zich verheugen
°gaudium,gaudii : vreugde
°geminus(sub),gemini : tweeling
°geminus,gemina,geminum : tweeling , van een tweeling
°gemitus,gemitus (ml) : gezucht
°gen. + causa : omwille van, wegens
°gen. + causa : omwille van, wegens
°genitor,genitoris (ml) : verwekker, vader
°gens,gentis (vr) : volk, volksstam, familie
°genus,generis (onz) : geslacht, afkomst, familie
°gerere,gero,gessi,gestum : voeren, dragen, doen,maken
°gerulus,geruli : drager, sjouwer
°gignere,gigno,genui,genitum : verwekken, voortbrengen
°gladiator,gladiatoris : gladiator, zwaardvechter
°gladiatorius,gladiatoria,gladiatorium : gladiatoren-
°gladius,gladii : zwaard
°glomerare,glomero,glomeravi,glomeratum : kneden
°gloria,gloriae (vr) : roem, faam
°gradus,gradus : stap
°granum,grani : graankorrel, korrel
°graphium,graphii : schrijfstift, pen
°gratia,gratiae (vr) : dank, dienst, bevalligheid
°gratulatio,gratulationis : gelukwens, felicitatie
°gratus,grata,gratum : dankbaar, aangenaam
°gravidus,gravida,gravidum : zwanger
°gravis,gravis,grave : zwaar, ernstig
°gregatim : in groep, gezamenlijk
°grex,gregis (ml) : kudde, troep, groep
°gubernator,gubernatoris (ml) : stuurman
°gula,gulae : keel, strot
°guttur,gutturis (ml.) : keel, strot
°habere,habeo,habui,habitum : hebben, houden, beschouwen als
°habitare,habito,habitavi,habitatum : wonen, bewonen
°habitus,habitus (ml) : houding, voorkomen
°hac ... hac : hierlangs ... daarlangs, hier ... daar
°haerere,haereo,haesi,haesum : vastzitten, zich vastklampen, blijven hangen
°harena,harenae (vr) : zand, arena
°haud : (helemaal) niet
°herba,herbae (vr) : gras, kruid
°heu : wee!, ach!
°hiberna,hibernorum (onz) : winterkamp
°hic(aanw),haec,hoc (aanw) : deze, dit,
°hic(bijw) : hier
°hic(bijw.) : hier, op deze plaats
°hiems,hiemis (vr) : winter
°hinc : van hier, vandaar
°homo,hominis (ml) : mens
°honor,honoris (ml) : eer, (ere)ambt
°hora,horae (vr) : uur, tijd
°horrendus,horrenda,horrendum : gruwelijk, vreselijk
°horrere,horreo,horrui,- : verstijd staan, stijf staan (van angst)
°horrescere,horresco,horrui,- : bang worden van, bang zijn voor
°horribilis,horribilis,horribile : huiveringwekkend, verschrikkelijk
°hortari,hortor,hortatus sum,- : aansporen, er toe aanzetten
°hortus,hortus : tuin
°hospes,hospitis (ml.) : gastheer, herbergier
°hostia,hostiae : offerdier
°hostilis,hostilis,hostile : van de vijand, vijandelijk
°hostis,hostis (ml) : vijand
°huc : hierheen
°humanus,humana,humanum : menselijk
°humi : op de grond
°humus,humi (ml) : grond, aarde
°hymenaeus,hymenaei (ml) : huwelijk
°iacere (e),iaceo,iacui,- : liggen
°iacere (i),iacio,ieci,iactum : werpen
°iactare,iacto,iactavi,iactatum : slingeren, wegwerpen
°iactus,iacta,iactum : geworpen
°iam : reeds, al
°ibi ... quo ... : daar/op die plaats ... waar ...
°ibi ... quo ... : daar/op die plaats ... waar ...
°ibi : daar
°ibidem (bijw.) : op dezelfde plaats
°ictus,ictus : slag, stoot, aanval
°id est : dat is, dat wil zeggen
°idem,eadem,idem (aanw) : dezelfde, hetzelfde
°idem,eadem,idem : dezelfde, hetzelfde
°ideo : daarom, daardoor
°idolum,idoli : schim, spook
°idoneus,idonea,idoneum : geschikt, waardig
°igitur (neven) : dus, bijgevolg
°ignarus,ignara,ignarum : onwetend (+gen.), onbekend
°ignis,ignis (ml) : vuur
°ignoscere,ignosco,ignovi,ignotum : vergeven
°ille,illa,illud (aanw) : die, dat, hij,zij,het
°illic (bijw.) : op die plaats, daar
°illuc : daarheen
°imago,imaginis (vr) : afbeelding, beeld
°imber,imbris (ml) : regen(bui)
°immanis,immanis,immane : reusachtig, onmetelijk
°immensus,immensa,immensum : onmetelijk, reusachtig, oneindig
°imminere,immineo,-,- + dat. : hangen boven
°immobilis,immobilis,immobile : onbeweeglijk
°immolare,immolo,immolavi,immolatum : offeren
°immortalis,immortalis,immortale : onsterfelijk
°immotusimmota,immotum : onbewogen, onbeweeglijk, ongestoord, rustig
°impar,impar,impar (gen. imparis) : ongelijk
°impedimentum,impedimenti (onz) : belemmering, hindernis, bagage (mv.)
°impedire,impedio,impedivi,impeditum : verhinderen, belemmeren
°impellere,impello,impuli,impulsum : stoten, voortdrijven, aanzetten
°imperare,impero,imperavi,imperatum : bevelen, heersen over (+dat.)
°imperator,imperatoris (ml) : keizer, bevelhebber
°imperatum,imperati : bevel
°imperium,imperii (onz) : rijk, heerschappij, bevel
°impetrare,impetro,impetravi,impetratum : bereiken, gedaan krijgen, toestemming krijgen
°impetus,impetus (ml) : aanval
°implere,impleo,implevi,impletum : vullen (met) (+gen./abl.), vervullen
°imponere,impono,imposui,impositum : plaatsen op, leggen in, opleggen
°impositus,imposita,impositum : gelegd in, geplaatst in
°imprimis : vooral
°impudicus,impudica,impudicum : schaamteloos, onfatsoenlijk
°impunitas,impunitatis : het niet straffen, vergiffenis
°in animo esse : van plan zijn
°in commune : gezamenlijk
°in exilium eicere : iemand verbannen
°in perpetuum : voor eeuwig, voor altijd
°in posterum : voor/in de toekomst, naar de toekomst toe
°in regnum restituere : terug aan de macht helpen
°in superiorem partem referre : omhoog brengen
°in(abl) +abl : in,op
°in(acc) + acc : naar, tot in, tegen
°inanis,inanis,inane : leeg, waardeloos, nutteloos
°incendere,incendo,incendi,incensum : aansteken, aanvuren
°incendium,incendii : brand
°incertus,incerta,incertum : onzeker, onbepaald, onbetrouwbaar
°incessus,incessus : stap, gang, manier van lopen
°incidere,incido,incidi,incisum + dat. : vallen op, neervallen op
°incipere,incipio,incepi,inceptum : beginnen
°incitare,incito : aansporen, aanvuren, ophitsen
°incognitus,incognita,incognitum : onbekend
°incola,incolae (ml.) : bewoner, inwoner
°incolere,incolo,incolui,incultum : bewonen
°incolumis,incolumis,incolume : ongedeerd, behouden,
°incommodus,incommoda,incommodum : lastig, slecht, onaangenaam
°inculpatus,inculpata,inculpatum : onberispelijk
°incutere,incutio,incussi,incussum + dat. : slaan tegen, stoten tegen
°inde : vandaar, daarna
°indicare,indico,indicavi,indicatum : tonen, aankondigen
°indicere,indico,indixi,indictum : aankondigen
°indigestus,indigesta,indigestum : ongeordend, verward
°indignari,sermonis (ml) : gesprek, taal; hier : inspraak
°indignitas,indignitatis : onwaardigheid, vernedering
°indignus,indigna,indignum : onwaardig
°indoctus,indocta,indoctum : ongeschoold, onervaren
°inducere,induco,induxi,inductum : leiden naar/in; uitwrijven, doorstrepen (op een wastafeltje)
°induere,induo,indui,indutum : aandoen, aantrekken
°industria,industriae : werkzaamheid,ijver,vlijt,toewijding
°inermis,inermis,inerme : ongewapend
°infamis,infamis,infame : berucht
°infandus,infanda,infandum : gruwelijk, schandalig
°infans,infantis : kind
°infantarius,infantaria,infantarium : graag kinderen hebbend, kindgezind
°infelix,infelix,infelix : ongelukkig
°inferior,inferior,inferius; inferioris : lager
°inferre,infero,intuli,illatum : naar binnen brengen, veroorzaken
°inferus,infera,inferum : die zich beneden bevindt
°infinitus,infinita,infinitum : oneindig
°infra + acc. : onder
°ingemere,ingemo,ingemui,- : zuchten, klagen
°ingenium,ingenii (onz) : karakter, talent
°ingens,ingens,ingens : reusachtig, ontzaglijk
°ingenuus,ingenua,ingenuum : vrijgeboren
°ingredi,ingredior,ingressus sum : binnengaan
°inhabitare,inhabito,inhabitavi,inhabitatum : bewonen
°inhibere,inhibeo,inhibui,inhibitum : tegenhouden,verhinderen
°inicere,inicio,inieci,iniectum : werpen in, hier : steken in
°inimicus,inimici (ml) : (persoonlijke) vijand
°iniquus,iniqua,iniquum : ongelijk, ongunstig, onbillijk
°inire,ineo,inii,initum : binnengaan, beginnen
°initium,initii (onz) : begin
°iniuria,iniuriae (vr) : onrecht
°innabilis,innabilis,innabile : onbezwembaar
°innocuus,innocua,innocuum : onschuldig
°innuere,innuo,innui,- : toeknikken, wenken
°innumerabilis,innumerabilis,innumerabile : ontelbaar
°inopia,inopiae (vr) : gebrek, armoede, nood
°inpubes,inpubis,inpube (gen. inpuberis) : onvolwassen, jong
°inquit(perf.) : hij/zij zegt, hij/zij zei
°inrumpere,inrumpo,inrupi,inruptum : binnendringen,binnenvallen,binnenstormen
°insequi,insequor,insecutus sum,- : (achter)volgen, vervolgen
°inserere,insero,inserui,insertum : vlechten in, verstrengelen in
°inservire,inservio,-,- + dat. : dienstbaar zijn, ten dienste staan van, dienst doen
°insidere,insideo,insedi,insessum : zitten op
°insidiae,insidiarum (vr) : hinderlaag
°insignis,insignis,insigne : opvallend, buitengewoon, beroemd
°instabilis,instabilis,instabile : onstabiel, onvast, onbegaanbaar
°instare,insto,institi,- : staan in/op, bedreigen, achtervolgen
°instituere,instituo,institui,institutum : oprichten, instellen, onderrichten
°institutum,instituti : instelling, zede, gewoonte, gebruik
°instruere,instruo,instruxi,instructum : oprichten, ordenen, onderrichten
°insula,insulae (vr) : eiland, huizenblok
°intactus,intacta,intactum : onaangeraakt, onaangeroerd, ongedeerd
°integer,integra,integrum : onbeschadigd, onaangeroerd
°intellegere,intellego,intellexi,intellectum : begrijpen, inzien
°intentus,intenta,intentum : gespannen, ijverig, aandachtig
°inter + acc : tussen, te midden van, tijdens
°inter se : onderling
°intercursare,intercurso,intercursavi,intercursatum : lopen tussen, rennen tussen
°interdum : soms
°interea : ondertussen, intussen
°interesse,intersum,interfui,- : zijn tussen, aanwezig zijn bij, belangrijk zijn bij
°interficere,interficio,interfeci,interfectum : doden
°intericere,intericio,interieci,interiectum : ertussen gooien, inschuiven, invoegen
°interim : ondertussen, inmiddels
°interimere,interimo,interemi,interemptum : doden
°interire,intereo,interii,interitum : omkomen, vergaan
°intermittere,intermitto,intermisi,intermissum : scheiden, tussen laten, onderbreken
°interpretamentum,interpretamenti : verklaring, uitleg
°interrogare,interrogo,interrogavi,interrogatum : vragen; ondervragen, verhoren
°interrumpere,interrumpo,interrumpsi,interrumptum : onderbreken; afbreken
°intra + acc : binnen
°intrare,intro,intravi,intratum : binnengaan
°introire,introeo,introii,introitum : naar binnen gaan, binnengaan
°intueri,intueor,intuitus sum,- : bekijken, beschouwen
°inturbidus,inturbida,inturbidum : ongestoord, rustig
°intus : vanbinnen,binnenin,binnen
°inusitatus,inusitata,inusitatum : ongewoon, abnormaal
°invadere,invado,invasi,invasum : binnenvallen, overvallen, aangrijpen
°invenire,invenio,inveni,inventum : (uit)vinden, ontdekken, aantreffen
°inventor,inventoris : uitvinder
°investigare,investigo,investigavi,investigatum : uitzoeken, onderzoeken, trachten te weten te komen
°invicem (bijw.) : beurtelings, om de beurt
°invidere,invideo,invidi,invisum : jaloers zijn
°invidia,invidiae (vr) : afgunst, nijd
°inviolatus,inviolata,inviolatum : ongeschonden, ongedeerd
°invitare,invito,invitavi,invitatum : uitnodigen
°io : ach!, hoera!
°ipse,ipsa,ipsum (aanw) : zelf, dezelfde
°ira,irae (vr) : woede
°iratus,irata,iratum : kwaad, woedend
°ire,eo,ii,itum : gaan
°is,ea,id (aanw) : die, dat
°iste,ista,istud (aanw) : die, dat
°istic (bijw.) : daar, op die plaats
°ita : zo, op die manier
°itaque (neven) : daarom, dus, bijgevolg
°item : ook, eveneens
°iter,itineris (onz) : weg, reis
°iterum : opnieuw, nog eens, weer
°iubere,iubeo,iussi,iussum : bevelen, verzoeken
°iucundus,iucunda,iucundum : aangenaam
°iudex,iudicis (ml.) : rechter
°iudicium,iudicii : oordeel, vonnis; proces; rechtspraak; hier : rechterlijke macht
°iugerum,iugeri : morgen land (= kwart hectare)
°iugulum,iuguli : keel, hals
°iugum,iugi (onz) : juk, berg(keten)
°iugum,iugi : juk
°iumentum,iumenti : lastdier
°iungere,iungo,iunxi,iunctum : verbinden, aan elkaar voegen, verenigen
°iure : met recht, terecht
°ius,iuris (onz) : recht
°iussus,iussus : bevel
°iustitia,iustitiae (vr) : rechtvaardigheid
°iuvare,iuvo,iuvi,iutum : helpen, ondersteunen
°iuvencus,iuvenci (ml) : jonge stier
°iuvencus,iuvenci : (jonge) stier
°iuvenescere,iuvenesco,-,- : terug jong worden, verjongen
°iuvenis,iuvenis (ml) : jongeman
°iuventus,iuventus : jeugd
°labes,labis : gebrek
°labi,labor,lapsus sum, : glijden, afglijden, wegglijden
°labium,labi : lip
°labor,laboris (ml) : werk, moeite, inspanning
°laborare,laboro,laboravi,laboratum : werken, lijden
°lacer,lacera,lacerum : verscheurd; hier : bouwvallig
°lacrima,lacrimae (vr) : traan
°lacus,lacus : meer
°laetus,laeta,laetum : blij, vrolijk
°laevus,laeva,laevum : links, onhandig, dwaas
°lamentum,lamenti : gejammer,gehuil
°lana,lanae : wol
°lanificium,lanificii : het maken van wol, het spinnen
°lanius,lanii : slager
°lapidarius,lapidaria,lapidarium : steen-, die stenen vervoert
°lapidosus,lapidosa,lapidosum : vol met stenen
°lapillus,lapilli : steentje
°lapis,lapis (ml.) : steen
°lapsus,lapsus : misstap, fout, vergissing
°lardum,lardi : spek
°latissimus,latissima,latissimum : breedst, zeer breed, wijdst, zeer wijd
°latro,latronis : rover, bandiet
°latus,lata,latum : breed, uitgestrekt
°latus,lateris (onz) : flank, zijde
°laus,laudis (vr) : lof (prijzing), roem
°lavare,lavo,lavi,lautum : wassen
°lectica,lecticae : draagstoel
°lectus,lecti : bed
°legatus,legati (ml) : gezant, legaat
°legere,lego,legi,lectum : lezen, verzamelen
°legio,legionis (vr) : legioen, legereenheid
°legitimus,legitima,legitimum : wettelijk, door de wet toegestaan
°lentus,lenta,lentum : langzaam, traag, kalm
°leo,leonis (ml.) : leeuw
°lepidus,lepida,lepidum : geestig
°lepus,leporis (ml.) : haas
°levis,levis,leve : licht, gering
°lex Licinia,legis Liciniae : de Licinische wet
°lex,legis (vr) : wet
°libenter : graag, met plezier
°liber,libri (ml) : boek
°liberalis,liberalis,liberale : vrijheids , beschaafd, voornaam
°liberare,libero,liberavi,liberatum : bevrijden
°liberator,liberatoris : bevrijder
°liberi,liberorum (ml) : kinderen (mv.)
°libertas,liberatis (vr) : vrijheid
°libertus,liberti : vrijgelatene, ex-slaaf
°libido,libidinis (vr) : verlangen, begeerte, wellust
°licens,licens,licens (gen. licentis) : vrij; brutaal, arrogant
°licet (onder) : ook al, hoewel, ofschoon
°licet,licet,licuit,- : het mag, het is toegestaan
°lictor,lictoris : lictor (soort van bodyguard van de consuls)
°ligneus,lignea,ligneum : van hout gemaakt, houten
°limen,liminis (onz) : drempel, stoep
°lineamentum,lineamenti : streep,lijn ; omtrek, schets
°lingere,lingo,linxi,linctum : likken, aflikken
°lingua,linguae (vr) : tong, taal
°linquere,linquo,liqui,- : achterlaten, verlaten
°linteum,lintei : linnen doek, linnen laken
°liquidus,liquida,liquidum : vloeibaar, vloeiend
°liquor,liquoris : vloeistof, vocht
°littera,litterae (vr) : letter, brief, schrift
°litus,litoris (onz) : kust, strand
°locare,loco,locavi,locatum : plaatsen; verhuren
°locus,loci (ml) : plaats
°longitudo,longitudinis : lengte
°longus,longa,longum : lang
°loqui,loquor,locutus sum, : spreken, praten, zeggen
°luctari,luctor,luctatus sum + dat. : worstelen met, hier : in botsing komen met
°lucus,luci (ml) : bos
°lucus,luci : aan een god gewijd bos, heilig bos, bos
°ludi magister,ludi magistri : onderwijzer,leraar
°ludus,ludi : spel
°lumbus,lumbi : lende
°lumen,luminis (onz) : licht
°luna,lunae (vr) : maan
°lupa,lupae : wolvin
°lusus,lusus : spel
°lutulentus,lutulenta,lutulentum : modderig, vuil
°lutum,luti : modder, slijk
°lux,lucis (vr) : licht
°machina,machinae : machine, hijskraan
°machinatio,machinationis : machine, hijskraan
°macies,maciei : magerheid
°maculosus,maculosa,maculosum : gevlekt, bevlekt, besmeurd
°magis : meer
°magister,magistri : meester, leraar
°magistratus,magistratus (ml) : ambtenaar, magistraat
°magnificus,magnifica,magnificum : luisterrijk, prachtig, sjiek
°magnitudo,magnitudinis (vr) : grootte
°magnus,magna,magnum : groot
°maiestas,maiestatis : verhevenheid, waardigheid, aanzien, gezag
°maior,maior,maius (gen. maioris) : groter
°maiores,maiorum (ml) : de ouderen, voorvaderen, senaat
°maledicere,maledico,maledixi,maledictum : vervloeken, schelden
°maledictum,maledicti : vervloeking; scheldwoord
°malle,malo,malui,- : liever willen, verkiezen
°malum,mali : kwaad,ellende,onheil
°malus,mala,malum : slecht, ongunstig
°mancipium,mancipii : eigendom, bezit; slaaf
°mandare,mando,mandavi,mandatum : opdracht geven, toevertrouwen
°mandatum,mandati : opdracht, bevel
°mandra,mandrae : kudde
°mane : 's morgens
°manere,maneo,mansi,mansum : blijven, wachten
°manes(subst.),manium (enkel mv.) : geest(en)
°manifestus,manifesta,manifestum : duidelijk, overduidelijk
°mansuetus,mansueta,mansuetum : getemd,tam
°manus,manus (vr) : hand
°marculus,marculi : hamertje
°mare,maris (onz) : zee
°maritus,mariti : echtgenoot, man
°marmoreus,marmorea,marmoreum : van marmer gemaakt, marmeren
°matella,matellae : pispot
°mater,matris (vr) : moeder
°materia,materiae (vr) : materie, grondstof, oorzaak
°maternus,materna,maternum : langs moederskant
°matrimus,matrima,matrimum : wiens moeder nog in leven is
°matrona,matronae : getrouwde vrouw, matrone
°maturus,matura,maturum : rijp
°maxime : het meest, vooral
°medicamentum,medicamenti : geneesmiddel
°medicus,medici (ml) : geneesheer, arts
°medium,medii : midden
°medius,media,medium : middelste, in het midden (van)
°mehercule : bij Hercules!, warempel!, waarachtig!, verdomd!
°mel,mellis (onz.) : honing
°melior,melior,melius : beter
°membrum,membri (onz) : lid, deel, ledematen (mv.)
°meminisse(perf.) : zich herinneren (+gen.), denken aan (+gen.)
°memor,memor,memor : denkend aan (+gen.), getuigend van
°memorare,memoro,memoravi,memoratum : herinneren, vermelden
°memorem : ik zou in herinnering brengen, ik zou vermelden
°memoria,memoriae (vr) : herinnering, geschiedenis
°mendacium,mendacii : leugen
°mendicare,mendico,mendicavi,mendicatum : bedelen om, smeken om
°mens,mentis (vr) : geest, gezindheid, gedachte
°mensis,mensis (ml.) : maand
°mercennarius,mercennarii : dagloner
°mercimonium,mercimonii : koopwaar, handelswaar
°merda,merdae : stront
°merere,mereo,merui,meritum : verdienen
°meritorium,meritorii : gehuurde woning, huurwoning
°messis,messis : oogst
°meta,metae : eindpaal
°metallum,metalli : erts, metaal; mijn
°metreta,metretae : (grote) kruik
°metuere,metuo,metui,- : bang zijn, vrezen
°metuere,metuo,metui,- : vrezen, bang zijn
°metus,metus (ml) : vrees
°meus,mea,meum (bez) : mijn
°miles,militis (ml) : soldaat
°militare,milito,militavi,militatum : als soldaat dienen, soldaat zijn
°militaris,militaris,militare : militair, van het leger, van een soldaat
°militia,militiae : krijgsdienst
°mille : duizend
°minari,minor,minatus sum : bedreigen
°mingere,mingo,mixi,mictum : plassen, pissen
°minime (bijw.) : allerminst, helemaal niet, zeker niet
°minister,ministri : dienaar, helper
°ministerium,ministerii : hulp,dienst,taak,werk
°minus ... quam : minder ... dan
°mirabilis,mirabilis,mirabile : wonderbaarlijk, bizar
°miraculum,miraculi : wonder, mirakel
°mirandus,miranda,mirandum : wonderbaarlijk
°mirari,miror,miratus sum,- : zich verwonderen over, bewonderen
°mirificus,mirifica,mirificum : wonderbaarlijk, schitterend, chique
°mirus,mira,mirum : verwonderlijk, wonderbaarlijk
°miscere,misceo,miscui,mixtum : (ver)mengen, verwarren
°miser,misera,miserum : ongelukkig, ellendig, armoedig
°miserabilis,miserabilis,miserabile : ellendig
°miseria,miseriae : ellende, verdriet
°missus(1),missus : ronde
°missus(2),missi : ex-soldaat
°mittere,mitto,misi,missum : zenden, sturen
°mixtio,mixtionis : vermenging, mengsel
°modestus,modesta,modestum : bescheiden
°modicus,modica,modicum : matig, weinig, bescheiden, pretentieloos
°modo : slechts, zopas
°modus,modi (ml) : maat, manier
°moenia,moenium (onz) : stadsmuur, wallen
°moles,molis : massa, gewicht
°molestus,molesta,molestum : lastig, moeilijk
°mollis,mollis,molle : mals, zacht
°monere,moneo,monui,monitum : waarschuwen, aanraden
°mons,montis (ml) : berg, heuvel
°monstrare,monstro,monstravi,monstratum : tonen
°mora,morae (vr) : uitstel, het talmen, tijdsverlies
°morari,moror,moratus sum,- : wachten, treuzelen, zich bevinden
°morbus,morbi : ziekte
°mordere,mordeo : bijten
°mori,morior,mortuus sum,- : sterven
°mors,mortis (vr) : dood
°mortalis,mortalis,mortale : sterfelijk
°mortuus,mortui : dode
°mos,moris (ml) : zede, gewoonte
°moturus,motura,moturum : die angst aanjaagt, die doet schrikken
°motus,motus (ml) : beweging
°movere,moveo,movi,motum : bewegen, ontroeren
°mox : weldra, later
°mulier,mulieris (vr.) : vrouw
°multiplex,multiplex,multiplex (gen. multiplicis) : veelvoudig, veelsoortig, talrijk
°multitudo,multitudinis (vr) : menigte
°multo : veel, zeer, heel
°multum : veel, erg, zeer
°multus,multa,multum : veel
°mulus,muli : muildier
°mundus,mundi : heelal, wereld
°municipium,muncipii : stad
°munimentum,munimenti : bescherming
°munire,munio,munivi,munitum : versterken, beschermen, bouwen
°munitio,munitionis (vr) : versterking, verschansing
°munus,muneris (onz) : geschenk, taak, ereambt
°murrina,murrinorum (enkel mv.) : agaatsieraad (agaat was een duur gesteente)
°murus,muri (ml) : muur
°musca,muscae : vlieg
°mutare,muto,mutavi,mutatum : veranderen, wijzigen
°mutus,muta,mutum : stom, sprakeloos, zwijgend
°nam (neven) : want, immers, namelijk
°namque (neven) : want, immers, namelijk
°narrare,narro,narravi,narratum : vertellen
°nasci,nascor,natus sum,- : geboren worden, afstammen van
°natare,nato,natavi,natatum : zwemmen
°natura,naturae (vr) : natuur, aard, karakter
°naturalis,naturalis,naturale : natuurlijk, aangeboren, niet kunstmatig
°naturaliter : van nature
°natus,nati (ml) : zoon
°natus,nati : zoon
°naufragare,naufrago,naufragavi,naufragatum : schipbreuk lijden, vergaan
°naumachia,naumachiae : zeegevecht, zeeslag
°navalis,navalis,navale : zee-
°navis,navis (vr) : schip
°ne (onder) : opdat niet, om niet te, om te voorkomen dat
°nebula,nebulae : nevel, mist
°nec (neven) : en niet, noch
°necare,neco : doden
°necesse, , : noodzakelijk (onverbuigbaar)
°necessitas,necessitatis (vr) : noodzaak
°negare,nego,negavi,negatum : ontkennen, weigeren
°neglegere,neglego,neglexi,neglectum : verwaarlozen, zich niets aantrekken van, geen rekening houden met
°negotiari,negotior,negotiatus sum : handel drijven, handelen
°negotiatio,negotiationis : handel
°negotium,negotii (onz) : bezigheid, opdracht, taak
°nemo(onbep) : niemand
°nemus,nemoris (onz) : woud, bos
°nepos,nepotis (ml/vr) : kleinzoon, kleindochter, nakomeling
°neque (neven) : en niet, noch
°nequiquam : tevergeefs, onnodig, zonder reden
°nescire,nescio,nescivi,nescitum : niet weten, niet kennen
°neuter,neutra,neutrum : geen van beide(n)
°neve (onder) : en (op)dat niet, en (om) niet te
°ni (onder) : als niet, indien niet, tenzij
°niger,nigra,nigrum : zwart, donker
°nigrior,nigrior,nigrius (gen. nigrioris) : zwarter
°nihil (onbep) : niets
°nihilo minor ... quam : niet minder ... Dan
°nimium : te groot, te veel, te
°nimius,nimia,nimium : te groot, te veel
°nisi (onder) : tenzij, indien niet, als niet
°niti,nitor,nixus sum/nisus sum,- : steunen (op) (+abl.), leunen
°nitor,nitoris : schittering, glans
°niveus,nivea,niveum : sneeuwwit, wit
°nobilis,nobilis,nobile : edel, aanzienlijk, adellijk
°nobilitas,nobilitatis (vr) : voorname stand, adel
°nocens,nocens,nocens (gen. nocentis) : schadelijk
°noctu : 's nachts
°noctu : des nachts
°nolle,nolo,nolui,- : niet willen
°nomen,nominis (onz) : naam
°nominare,nomino,nominavi,nominatum : noemen
°non : niet, geen
°non modo ... sed etiam... (vgw) : niet alleen ... Maar ook ...
°non tantum ... Sed etiam... : niet alleen ... Maar ook ...
°nondum : nog niet
°nonne (vraagpartikel) : leidt vraag in waarop ja-antwoord wordt verwacht
°nonnullus,nonnulla,nonnullum (onbep) : tamelijk groot/veel, enkele(n) (mv.), sommige(n) (mv.)
°nonnumquam (bijw.) : soms
°nonus,nona,nonum : negende
°nos(pers) : wij
°noscere,nosco,novi,notum : leren kennen
°noscitare,noscito,noscitavi,noscitatum : proberen te herkennen, herkennen
°noster,nostra,nostrum (bez) : ons, onze
°notus,nota,notum : bekend
°novem (telw.) : negen
°novissimus,novissima,novissimum : laatste
°novus,nova,novum : nieuw
°nox,noctis (vr) : nacht
°nubere,nubo,nupsi,nuptum + dat. : trouwen met
°nubes,nubis (vr) : wolk
°nullus,nulla,nullum (onbep) : geen, geen enkele
°numen,numinis (onz) : goddelijke wil, goddelijke macht
°numerare,numero,numeravi,numeratum : tellen, rekenen, betalen
°numerus,numeri (ml) : getal, aantal
°nummus,nummi : geldstuk
°numquam : nooit
°numquid : toch niet, toch geen
°nunc ... nunc ... : nu eens ... Dan weer
°nunc : nu
°nuntiare,nuntio,nuntiavi,nuntiatum : melden, aankondigen
°nuntius,nuntii (ml) : bode, koerier, boodschap
°nusquam : nergens
°nusquam iam : nergens meer
°nutare,nuto,nutavi,nutatum : knikken; heen en weer bewegen, wankelen
°nutrire,nutrio : voeden
°nutrix,nutricis : voedster
°nux,nucis : noot
°nympha,nymphae (vr) : bruid, nimf, water
°ob + acc : wegens, om
°oblivisci,obliviscor,oblitus sum + gen. : vergeten, geen rekening houden met
°obruere,obruo,obrui,obrutum : bedekken
°obscenus,obscena,obscenum : obsceen, onfatsoenlijk, schandalig
°obscurus,obscura,obscurum : duister, donker, verborgen
°obsecrare,obsecro,obsecravi,obsecratum : met aandrang vragen, smeken
°obsequium,obsequii : gehoorzaamheid
°obses,obsidis (ml/vr) : gijzelaar
°obses,obsidis : gijzelaar
°obsidere,obsido,obsedi,obsessum : bezetten
°obstare,obsto,obstiti,- + dat. : in de weg staan, verhinderen, hinderen
°obstringere,obstringo,obstrinxi,obstrictum : binden, vastbinden
°obstupefacere,obstupefacio : verstomd doen staan
°obtinere,obtineo,obtinui,obtentum : bezetten, behouden
°obtruncare,obtrunco,obtruncavi,obtruncatum : doden
°obturare,obturo,obturavi,obturatum : dichtstoppen, afsluiten
°obvius,obvia,obvium : tegenkomend, tegemoetkomend, passerend; hier : tegenstander, vijand
°occidere,occido,occidi,occisum : doden
°occultare,occulto,occultavi,occultatum : verbergen
°occupare,occupo,occupavi,occupatum : bezetten, innemen
°oceanus,oceani (ml) : oceaan
°oculus,oculi (ml) : oog
°odor,odoris : geur, stank
°offendere,offendo : stoten,beledigen
°officere,officio,offeci,offectum + dat. : in de weg staan, hinderen
°officium,officii (onz) : plicht, taak
°olea,oleae : olijfboom
°olere,oleo : stinken,ruiken
°olim : lang geleden, ooit
°oliva,olivae : olijf
°omittere,omitto,ommisi,ommissum : laten vallen
°omnino : in het geheel, helemaal, volledig
°omnis,omnis,omne : ieder, geheel, alle,alles (mv.)
°onerare,onero,oneravi,oneratum : beladen, inladen, hier : laten inladen
°onus,oneris : last
°onustus,onusta,onustum + abl. : beladen met
°opera,operae : werk, inspanning, moeite; dienst, hulp
°operire,operio,operui,operitum : bedekken
°opinio,opinionis (vr) : mening, opvatting, vermoeden
°oppidum,oppidi (onz) : stad
°opportunus,opportuna,opportunum : gunstig, gemakkelijk, geschikt
°opprimere,opprimo,oppressi,oppressum : onderdrukken, neerdrukken, overweldigen
°oppugnare,oppugno,oppugnavi,oppugnatum : belegeren, bestormen
°ops,opis (vr) : kracht, macht, rijkdom (mv.)
°optare,opto,optavi,optatum : wensen
°optimus,optima,optimum : best(e)
°opus esse + abl. : nodig zijn, nodig hebben
°opus,operis (onz) : werk, inspanning, bouwwerk/kunstwerk
°ora,orae (vr) : kust
°oraculum,oraculi : orakel, orakelspreuk
°orare,oro,oravi,oratum : bidden, smeken, vragen
°oratio,orationis (vr) : het spreken, redevoering
°orbis terrarum,orbis terrarum : wereld
°orbis,orbis (ml) : kring, wereld
°ordo,ordinis (ml) : rij, rang, stand, orde
°oriri,orior,ortus sum,- : ontstaan, opstaan, afstammen van
°ornamentum,ornamenti : sieraad; eer
°ornatus,ornata,ornatum : versierd; beladen, opgetuigd
°os(1),oris (onz) : mond, muil, gezicht
°os,ossis (onz) : been, gebeente(mv.), bot
°osculum,osculi : kus
°ostendere,ostendo,ostendi,ostentum : tonen, aantonen
°ostentare,ostento,ostentavi,ostentatum : laten zien, tonen
°otiosus,otiosa,otiosum : vrij van werk, rustig
°otium,otii (onz) : vrije tijd, rust, het nietsdoen
°ovum,ovi : ei
°paedagogus,paedagogi : opvoeder
°paene (bijw.) : bijna
°paenula,paenulae : mantel met kap
°palla,pallae : lang overkleed; kleed
°palma,palmae (vr) : hand, palmtak
°paludatus,paludata,paludatum : in een militaire mantel gekleed
°palus,pali : paal
°palus,paludis (vr) : moeras, poel
°pandere,pando,pandi,passum : uitbreiden, uitstrekken, openen,openbaren
°panis,panis (ml.) : brood
°par,par,par : gelijk (aan) (+dat.)
°parare,paro,paravi,paratum : voorbereiden, klaarmaken, verwerven
°parasitus,parasiti : klaploper, tafelgenoot, gast
°paratus,parata,paratum : gereed, klaar, ervaren
°parcere,parco,peperci,- : sparen (+dat.), ontzien, zuinig zijn (met)
°parens,parentis (ml/vr) : ouder, vader/moeder
°parere,pareo,parui,- : gehoorzamen
°parere,pario,peperi,partum : baren
°paria,parium : paar, koppel
°pariter : op gelijke wijze; tegelijk; evenzeer
°pars,partis (vr) : deel
°partim : gedeeltelijk
°partire,partio,partivi,partitum : verdelen, indelen, splitsen
°partus,partus : geboorte
°parum : weinig, te weinig, niet genoeg
°parvulus,parvula,parvulum : zeer klein, erg klein
°parvus,parva,parvum : klein
°pascere,pasco,pavi,pastum : weiden, hoeden, laten grazen
°passus,passus (ml) : pas, stap, voetspoor
°pastor,pastoris (ml) : herder
°patefacere,patefacio : openen, begaanbaar maken
°pater,patris (ml) : vader
°patere,pateo,patui,- : openstaan, zich uitstrekken
°paternus,paterna,paternum : van de vader, vaderlijk
°pati,patior,passus sum,- : lijden, toestaan, dulden
°patre ignaro : zonder dat de vader het wist
°patres,patrum : senatoren
°patria,patriae (vr) : vaderland
°patrimus,patrima,patrimum : wiens vader nog in leven is
°patrius,patria,patrium : vaderlijk, vaderlands, van de voorouders (geërfd)
°patronus,patroni : beschermheer
°patulus,patula,patulum : wijd, breed
°pauci,paucae,pauca : weinig, enige, een paar
°paucitas,paucitatis : gering aantal, weinig aantal; hier : kleine legertroep(en)
°paulatim : geleidelijk, langzmerhand
°paulo : een weinig, een beetje
°paulum : weinig, een beetje
°pauper,pauper,pauper : arm
°paupertas,paupertatis (vr) : armoede
°pavere,paveo,pavi,- : beven, in paniek zijn, panikeren
°pavor,pavoris : angst
°pax,pacis (vr) : vrede
°peccare,pecco,peccavi,peccatum : een fout begaan
°peccare,pecco,peccavi,peccatum : struikelen, zich vergissen, zondigen
°pectinare,pectino,pectinavi,pectinatum : kammen
°pectus,pectoris (onz) : hart, borst
°peculium,peculii : spaargeld, kapitaal
°pecunia,pecuniae (vr) : geld
°pecus,pecoris (onz) : vee, dieren
°pedere,pedo,pepedi,peditum : scheten laten
°pedes,peditis (ml) : voetganger, voetvolk, infanterist
°pelagus,pelagi (onz) : zee
°pellere,pello,pepuli,pulsum : stoten, slaan, verdrijven
°pelvis,pelvis : schaal
°pendere,pendeo,pependi,- : hangen
°pendere,pendo,pependi,pensum : betalen
°penetrare,penetro,penetravi,penetratum : binnendringen
°penna,pennae (vr) : veer, vleugel
°per + acc : door, doorheen, gedurende
°peragrare,peragro,peragravi,peragratum : doorzwerven, zwerven doorheen
°perbibere,perbibi,perbibi,- : helemaal opdrinken, helemaal in zich opnemen
°percipere,percipio,percepi,perceptum : grijpen, in zich opnemen, waarnemen, leren
°percutere,percutio,percussi,percussum : (hevig) slaan
°perdere,perdo,perdidi,perditum : verliezen
°perequitare,perequito : te paard doorheenrijden
°perfectus,perfecta,perfectum : volmaakt, volkomen, voltooid
°perferre,perfero,pertuli,perlatum : brengen naar, volbrengen, verdragen
°perficere,perficio,perfeci,perfectum : voltooien, uitvoeren, afmaken
°perfugere,perfugio : zijn toevlucht zoeken in
°pergula,pergulae : bijkamer, extra kamer, annex-kamer
°periculum,periculi (onz) : gevaar
°perire,perio,perii,peritum : sterven, ten onder gaan, omkomen
°perlegere,perlego,perlegi,perlectum : lezen, voorlezen
°perpetuus,perpetua,perpetuum : voortdurend, levenslang, eeuwig
°persequi,persequor,persecutus sum : achtervolgen
°perseverare,persevero,perseveravi,perseveratum : volhouden, blijven bij, voortzetten
°perstringere,perstringo,perstrinxi,perstrictum : zacht aanraken, beroeren; hier : treffen
°persuadere,persuadeo,persuasi,persuasum : overtuigen (+dat.), overreden
°perterrere,perterreo,perterrui,perterritum : hevig verschrikken
°perturbare,perturbo,perturbavi,perturbatum : in verwarring brengen, verwarren
°pervenire,pervenio,perveni,perventum : komen (tot), aankomen, bereiken
°pes,pedis (ml) : voet, poot
°pestilens,pestilens,pestilens : verderfelijk, rampzalig
°petere,peto,petivi,petitum : vragen, zoeken, nastreven
°petulans,petulans,petulans (gen. petulantis) : blij, uitgelaten, frivool
°philosophia,philosophiae (vr) : filosofie, wijsbegeerte
°philosophus,philosophi (ml) : filosoof
°philosophus,philosophi : filosoof
°pietas,pietatis : plichtsgevoel, vroomheid, respect, eerbied
°pinguis,pinguis,pingue : vet, dik
°pinus,pinus : pijnboom
°piscis,piscis : vis
°pistor,pistoris : bakker
°pius,pia,pium : plichtsgetrouw, vroom, liefdevol
°placere,placeo,placui,placitum : bevallen, behagen
°placidus,placida,placidum : rustig
°plaga,plagae : slag, stoot
°planissimus,planissima,planissimum : vlakst, zeer vlak, het meest effen, zeer effen
°planta,plantae : voetzool, voet
°planum,plani : vlakte (bedoeld zijn hier de lager gelegen stadswijken tussen de Caelius en de Palatinus)
°planus,plana,planum : vlak, effen
°plaustrum,plaustri : wagen, transportwagen
°plebs,plebis (vr) : volk, plebs
°plenus,plena,plenum : vol (van), gevuld (met) (+abl.)
°plerique,pleraeque,pleraque : het merendeel van (enk.), de meesten (mv.), zeer veel
°plerumque : meestal, gewoonlijk
°plumbum,plumbi : lood
°plures,plures,plura : meer, meerdere
°plurimi,plurimae,plurima : zeer veel, zeer vele(n)
°plurimus,plurima,plurimum : zeer veel
°poena,poenae (vr) : straf, boete
°poenas dare + gen. : gestraft worden voor
°poenas pendere : boete betalen, boeten, gestraft worden
°polliceri,polliceor,pollicitus sum,- : beloven
°pondus,ponderis (onz) : gewicht, zwaarte
°pondus,ponderis : gewicht, last
°ponere,pono,posui,positum : plaatsen, zetten, stellen
°pons,pontis (ml) : brug
°pontifex,pontificis (ml.) : opperpriester
°pontus,ponti (ml) : zee
°popina,popinae : kroeg
°populatio,populationis : verwoesting, vernietiging
°populus,populi (ml) : volk
°porrigere,porrigo,porrexi,porrectum : aanreiken, aanbieden, geven
°porta,portae (vr) : poort, deur
°portare,porto,portavi,portatum : dragen, brengen
°portorium,portorii : tol, belasting
°portus,portus (ml) : haven
°poscere,posco,poposci,- : vragen, eisen, verlangen
°posse,possum,potui,- : kunnen
°post ... quam ... : na ... dat ...
°post ... quam ... : na ... dat ...
°post(bijw) : nadien, later
°post(vz) + acc : na, achter
°postea : later, nadien
°posterius : later, daarna
°posterus,postera,posterum : volgend, later
°posthac : nadien, later
°postquam (onder) : nadat
°postremo : kortom, tenslotte
°postulare,postulo,postulavi,postulatum : eisen, verlangen
°potens,potens,potens : machtig, in staat (tot) (+gen.)
°potentia,potentiae (vr) : kracht, macht, vermogen
°potestas,potestatis (vr) : macht, gezag
°potestas,potestatis : macht, gezag, kracht
°potiri,potior,potitus sum,- : zich meester maken van (+gen./abl.), bemachtigen, verkrijgen
°potius ... QuamEerder ... dan, liever ... dan
°potus,potus : het drinken, drank
°praebere,praebeo,praebui,praebitum : verschaffen
°praeceps,praeceps,praeceps : halsoverkop, steil, voorovergeheld
°praecingere,praecingo,praecinxi,praecinctum : omgorden (met een riem)
°praecipuus,praecipua,praecipuum : bijzonder, voornaam, uitstekend
°praeda,praedae (vr) : buit, prooi
°praedandi gratia : om te stelen
°praedare,praedo,praedavi,praedatum : buit binnenhalen, stelen, roven
°praedium,praedii : landgoed
°praeductorium,praeductorii : lat, lineaal
°praefectus praetorio,praefecti praetorio : commandant (van de keizerlijke lijfwacht)
°praeferre,praefero,praetuli,praelatum : voor zich uitdragen
°praeire,praeeo,praeii,praeitum : voorgaan, de leiding nemen
°praemium,praemii (onz) : premie, beloning
°praesens,praesens,praesens : aanwezig, tegenwoordig, onmiddellijk
°praesidere,praesideo,praesedi,- : zitten voor, leiden, commanderen
°praesidium,praesidii (onz) : bescherming, hulp, wachtpost
°praesidium,praesidii : bescherming, hulp; bezettingstroep
°praestare,praesto,praestiti,praestatum : uitmunten boven (+dat.), vervullen, verschaffen
°praeter + acc : langs, behalve
°praeterea : bovendien, daarenboven
°praeterire,praetereo,praeterii,praeteritum : gaan langs, voorbijgaan, passeren
°praetor,praetoris : praetor
°prandere,prandeo,prandi,pransum : eten, lunchen
°prandium,prandii : lunch
°precari,precor,precatus sum + acc. : smeken om, bidden om
°premere,premo,pressi,pressum : drukken, onderdrukken
°pretium,pretii : prijs
°prex,precis (vr) : gebed (mv), verzoek (mv.), smeekbede (mv.)
°pridie : de dag voor
°primo : voor de eerste keer, in het begin, aanvankelijk
°primum : eerst, eerst en vooral, ten eerste
°primus,prima,primum : eerste
°princeps,princeps,princeps : vooraanstaand, eerst
°principatus,principatus : de eerste plaats, hoogste positie, heerschappij
°principium,principii : begin
°prior,prior,prius : eerder, vroeger, beter
°priusquam (onder) : voordat, vooraleer, eerder dan
°privatim : persoonlijk, onderling
°privatus,privata,privatum : privé-
°pro + abl : voor, in plaats van, in verhouding tot
°probare,probo,probavi,probatum : (goed)keuren, bewijzen
°procedere,procedo,processi,processum : vooruitgaan, naar voren treden
°proceritas,proceritatis : hoogte, lengte; hier : rijzige gestalte
°procreare,procreo,procreavi,procreatum : verwekken, doen ontstaan
°procul : in de verte, ver, van ver
°procurare,procuro,procuravi,procuratum : zorgen voor, verzorgen
°prodesse,prosum,profui,- : tot voordeel strekken, nuttig zijn
°prodigiosus,prodigiosa,prodigiosum : monsterachtig
°proelium,proelii (onz) : strijd
°proficere,proficio,profeci,profectum : verder komen, vorderen, helpen
°proficisci,proficiscor,profectus sum,- : vertrekken
°progignere,progigno,progenui,progenitum : voortbrengen, verwekken
°progredi,progredior,progressus sum,- : vooruitgaan, voortgaan
°prohibere,prohibeo,prohibui,prohibitum : verhinderen, verbieden
°proicere,proicio,proeci,proiectum : op de grond gooien, neerwerpen, weggooien
°prolabi,prolabor,prolapsus sum : vooruitglijden, instorten, vernietigen
°prolapsus,prolapsa,prolapsum : vooruitgegleden, ingestort, vernietigd
°proles,prolis (vr) : kind, nageslacht, generatie
°promiscuus,promiscua,promiscuum : gescheiden, niet gemengd
°promptior,promptior,promptius (gen. promptioris) : bereidwilliger, meer geneigd
°promptus,prompta,promptum ad + acc. : gereed voor, klaar voor, bereidwillig tot
°prope + acc : nabij, dichtbij
°prope : dichtbij, bijna, ongeveer
°properare,propero,properavi,properatum : zich haasten, zich beijveren
°propinquus,propinqua,propinquum : dichtbij, naburig, aangrenzend
°propior,propior,propius : dichterbij, naburiger, aangrenzender
°proponere,propono,proposui,propositum : voorstellen; uitvaardigen
°propositum,propositi (onz) : plan, voornemen, doel
°proprius,propria,proprium : eigen
°propter + acc : wegens, door
°prosilire,prosilio,prosilui,- : naar voren springen, opspringen
°prosperus,prospera,prosperum : gunstig, voorspoedig
°protegere,protego,protexi,protectum : beschermen
°providere,provideo,providi,provisum : voorzien
°provincia,proviciae (vr) : provincie, wingewest
°provocare,provoco,provocavi,provocatum : aansporen, uitlokken, uitdagen (tot een gevecht)
°provocatus,provocata,provocatum : aangespoord, uitgelokt, uitgedaagd (tot een gevecht)
°proximus,proxima,proximum + dat. : zeer dichtbij, dichtst bij
°prudens,prudens,prudens : bewust, ervaren in (+gen.), verstandig
°prudentia,prudentiae : kennis, ervaring, verstand, inzicht, wijsheid
°publicus,publica,publicum : van de staat, openbaar
°pudendus,pudenda,pudendum : beschamend, schandelijk, schandalig
°pudicitia,pudicitiae : zedigheid, kuisheid
°puella,puellae : meisje
°puer scriniarius,pueri scriniarii : slaafje dat een schrijfkoker draagt
°puer,pueri (ml) : jongen
°pugio,pugionis (ml.) : dolk
°pugna,pugnae (vr) : strijd, gevecht
°pugnare,pugno,pugnavi,pugnatum : strijden, vechten
°pulcher,pulchra,pulchrum : mooi
°pullus,pulli : kip
°pulvis,pulveris (ml.) : stof, as
°pumex,pumicis (ml.) : puimsteen
°puppis,puppis (vr) : achtersteven,
°purus,pura,purum : rein, zuiver
°putare,puto,putavi,putatum : menen, denken, (waard) achten
°qua (bijw.) : ergens
°qua : waarlangs, waar
°quadraginta : veertig
°quadriga,quadrigae : vierspan
°quadriremis,quadriremis : vierdekker
°quaerere,quaero,quaesivi,quasitum : vragen, zoeken, nastreven
°quaestor,quaestoris : quaestor
°qualis,qualis,quale (vragend) : wat voor een, welke?
°quam + adj. : hoe + adj.
°quam : hoe (bij adj. of bijw.), dan (na comaratief), zo (bij superlatief)
°quamdiu : hoelang, zolang
°quamquam (onder) : hoewel
°quando + ind. (vgw.) : wanneer; aangezien
°quanto : hoeveel
°quantum : hoeveel?, hoe groot?, hoezeer
°quantus,quanta,quantum (vragend) : hoe groot?, hoeveel?
°quapropter (bijw.) : daarom
°quare (vragend bijw.) : waarom?
°quartus,quarta,quartum : vierde
°quasi (onder) : alsof
°quatere,quatio,-,quassum : schudden
°quattor : vier
°quattuordecim : veertien
°que (neven) : en
°quemadmodum : op welke manier?, hoe?
°queri,queror,questus sum,- : klagen (over), zich beklagen
°qui,quae,quod (betr) : die, dat
°qui?,quae,quod : welk(e)
°quia (onder) : omdat, aangezien
°quicumque,quaecumque,quodcumque (betr) : om het even wie, om het even wat, om het even welke
°quid? : hier : hoe?
°quidam,quaedam,quoddam (onbep) : een zekere (bijvoeglijk), iemand/iets (zelfst.), enige(n),enkele(n) (mv.)
°quidem : zeker, weliswaar, althans
°quidni : waarom niet?
°quies,quietis : rust, ontspanning, slaap
°quiescere,quiesco,quievi,quietum : rusten
°quietus,quieta,quietum : rustig, kalm, ongestoord
°quilibet,quaelibet,quodlibet : om het even wie, om het even wat
°quin (onder) : dat, (om) te, of
°quindecim : vijftien
°quingenti,quingentae,quingenta : vijfhonderd
°quinque (telw.) : vijf
°quintus (telw) : vijfde
°quippe : immers, natuurlijk, zeker
°quiritatus,quiritatus : hulpgeroep, geschreeuw
°quis,quis,quid (onbep) : een zekere, iemand, enige(n) (mv.)
°quis?,quis/quae,quid/quod (vragend) : wie, wat, welk (bijvoeglijk)
°quisnam,quisnam,quidnam? : wie,wat?
°quisquam,quisquam,quicquam/quidquam (onbep) : iemand, iets, enig (bijvoeglijk)
°quisque,cuiusque (ml) : ieder, elk
°quisque,quaeque,quicquam/quidquam (onbep) : ieder, elk
°quisquis,-,quidquid/quicquid : alwie, alwat; wie ook, wat ook
°quo (onder) : opdat (des te), om (des te)
°quo : waarheen?
°quod (onder) : omdat, dat
°quomodo : hoe?, op welke manier?
°quondam : eens, ooit, soms
°quoniam (onder) : omdat, aangezien
°quoque : ook
°quotiens : hoe vaak?
°rabiosus,rabiosa,rabiosum : hondsdol, razend
°raeda,raedae : reiswagen
°ramus,rami (ml) : tak
°rapere,rapio,rapui,raptum : haastig grijpen, wegrukken, roven
°rapidus,rapida,rapidum : meesleurend; snel
°rarus,rara,rarum : verstrooid, niet dicht opeen; zeldzaam, schaars
°ratio,rationis (vr) : rede, verstand, redenering
°rationalis,rationalis,rationale : redelijk, logisch
°recedere,recedo,recessi,recessum : achteruitgaan, weggaan
°recens,recens,recens : vers van, direct na, fris
°recipere,recipio,recepi,receptum : terugtrekken, terugbrengen, terugkrijgen
°rectus,recta,rectum : recht, juist, eerlijk
°recusare,recuso,recusavi,recusatum : afwijzen, weigeren, zich verzetten tegen
°reddere,reddo,reddidi,redditum : teruggeven
°redemptor,redemptoris : opkoper, leverancier
°redimere,redimo,redemi,redemptum : terugkopen, kopen
°redire,redeo,redii,reditum : teruggaan, terugkomen, terugkeren
°reducere,reduco,reduxi,reductum : terugbrengen, terugvoeren, terugleiden
°referre,refero,rettuli,relatum : terugbrengen, vertellen
°reficere,reficio,refeci,refectum : hermaken, herstellen
°regere,rego,rexi,rectum : regeren, heersen (over), besturen
°regina,reginae (vr) : koningin
°regio,regionis (vr) : streek, gebied
°regius,regia,regium : van koninklijke afkomst, koninklijk
°regnare,regno,regnavi,regnatum : heersen, regeren
°regnum,regni (onz) : rijk, heerschappij
°relevare,relevo,relevavi,relevatum : licht maken, verlichten
°religio,religionis : godsdienst, godsdienstigheid, vroomheid
°relinquere,relinquo,reliqui,relictum : achterlaten, verlaten, overlaten
°reliquus,reliqua,reliquum : overig, ander
°relucere,reluceo,reluxi,- : oplichten, opflakkeren, schitteren, stralen
°remedium,remedii (onz) : geneesmiddel, medicijn, redmiddel
°remittere,remitto,remisi,remissum : terugsturen, verminderen
°remus,remi (ml) : roeiriem
°renovare,renovo,renovavi,renovatum : vernieuwen, herstellen, verjongen
°repellere,repello,reppuli,repulsum : terugdrijven, verdrijven
°repente : plotseling
°repentinus,repentina,repentinum : plots
°repere,repo,repsi,reptum : kruipen
°reperire,reperio,repperi,repertum : (terug)vinden, ontdekken
°repetere,repeto,repti(v)i,repetitum : opnieuw zoeken; herbeginnen, herhalen
°repetitio,repetitionis : herhaling
°replere,repleo,replevi,repletum : opnieuw vullen
°reponere,repono,reposui,repositum : wegleggen, bewaren
°reprehensor,reprehensoris : iemand die afkeurt, berisper
°requiescere,requiesco,requievi,requietum : rusten, tot rust komen
°requirere,requiro,requisivi,requisitum : zoeken, proberen te vinden
°reri,reor,ratus sum,- : menen, geloven, achten
°res militaris,rei militaris : krijgswezen, krijgsdienst
°res publica,rei publicae (vr) : staat, republiek
°res,rei (vr) : zaak, ding
°resalutare,resaluto,resalutavi,resalutatum : teruggroeten
°rescindere,rescindo,rescidi,rescissum : verscheuren, vernietigen, ongedaan maken
°resciscere,rescisco,rescii,rescitum : te weten komen
°resistere,resisto,restiti,- : blijven staan, weerstand bieden (aan) (+dat.)
°resorbere,resorbeo,-,- : opslokken, verzwelgen
°respicere,respicio,respexi,respectum : omkijken
°respondere,respondeo,respondi,responsum : (be)antwoorden
°responsum,responsi : antwoord
°restituere,restituo : terugplaatsen, herstellen
°retinere,retineo,retinui,retentum : tegenhouden, vasthouden, behouden
°reverentia,reverentiae : fatsoen, respect
°reverti,revertor,reverti,reversum : terugkeren, terugkomen
°rex,regis (ml) : koning
°ridere,rideo,risi,risum : lachen
°rigidus,rigida,rigidum : ruw, hard, stekelig
°rimosus,rimosa,rimosum : vol spleten, lek
°ripa,ripae (vr) : oever
°risus,risus : gelach
°rite : volgens juist religieus gebruik, op ceremoniële wijze
°rixa,rixae : ruzie
°roborare,roboro,roboravi,roboratum : hard maken, harden, sterk maken
°robustus,robusta,robustum : stevig
°rogare,rogo,rogavi,rogatum : vragen
°rosa,rosae : roos
°rudis,rudis,rude : ruw, onbewerkt; onervaren, jong
°ruere,ruo,rui,rutum : instorten, (voort)stormen
°rumpere,rumpo,rupi,ruptum : (ver)breken
°rursus : opnieuw, daarentegen
°sacer,sacra,sacrum : heilig, gewijd, gewijd aan
°sacerdos,sacerdotis : priester, priesteres
°sacrarium,sacrarii : bewaarplaats (van heilige voorwerpen)
°sacrificium,sacrificii : offer
°sacrum,sacri : heiligdom; godsdienstige handeling, ritueel; offerhandeling, offer
°saepe : vaak, dikwijls
°saepire,saepio,saepsi,saeptum : omgeven, omringen, insluiten
°saevire,saevio,-,- : woeden, razen, hevig tekeergaan
°saevus,saeva,saevum : woest, wild
°sagitta,sagittae : pijl
°sagum,sagi : (korte wollen) mantel
°sal,salis : zout
°salire,salio,salui/salii,- : springen
°saluber,salubris,salubre : goed voor de gezondheid, gezond; nuttig, voordelig
°salubris,salubris,salubre : heilzaam, nuttig, voordelig
°salus,salutis (vr) : welzijn, redding, gezondheid
°salutare,saluto,salutavi,salutatum : groeten, begroeten
°sancire,sancio,sanxi,sanctum : bekrachtigen, bevestigen, goedkeuren
°sanguis,sanguinis (ml) : bloed
°sanus,sana,sanum : gezond, ongeschonden, verstandig
°sapere,sapio,sapi(v)i,- : wijs zijn, verstandig zijn, smaken
°sapiens,sapiens,sapiens : wijs, verstandig
°sapire,sapio,sapivi,- : verstandig zijn, wijs zijn
°sarcina,sarcinae : last, lading, gewicht, bagage
°sarcire,sarcio,sarsi,sartum : oplappen, repareren
°sartus,sarta,sartum : opgelapt,gerepareerd
°satis : voldoende, tamelijk, genoeg
°saxum,saxi (onz) : rots, steen
°scandere,scando,scansi,scansum : beklimmen, klimmen
°scelus,sceleris (onz) : misdaad
°schola,scholae : school
°scientia,scientiae (vr) : kennis, inzicht, wetenschap
°scindere,scindo,scidi,scissum : scheuren
°scire,scio,scivi,scitum : weten
°scopulus,scopuli (ml) : rots, bergtop, klip
°scriba,scribae : schrijver, secretaris
°scribere,scribo,scripsi,scriptum : schrijven
°scriptum,scripti : het geschrevene
°se : hij,zij,zich
°secare,seco,secui,sectum : snijden
°secundum + acc : volgens
°secundus,secunda,secundum : tweede
°securus,secura,securum : veilig, onbezorgd
°sed (neven) : maar
°sedere,sedeo,sedi,sessum : zitten
°sedes,sedis (vr) : zitplaats, bodem, woonplaats
°seditio,seditionis : ruzie, conflict, rumoer, kabaal
°seges,segetis (vr) : gewas, oogst, akker
°semel : eenmaal
°semita,semitae : smalle weg, pad; hier : smal voetpad
°semper : steeds, altijd, telkens
°sempiternus,sempiterna,sempiternum : eeuwig
°semustus,semusta,semustum : halfverbrand
°senator,senatoris : senator
°senatus,senatus (ml) : senaat
°senecta,senectae : ouderdom
°senectus,senectutis (vr) : ouderdom, hoge leeftijd
°senescere,senesco,senui,- : oud worden
°senex,senis (ml) : grijsaard, oude man
°senior,senioris : oudere, bejaarde
°senium,senii : ouderdom, aftakeling
°sensus,sensus (ml) : waarneming, gevoel, zintuig
°sententia,sententiae (vr) : mening, betekenis, spreuk
°sentire,sentio,sensi,sensum : voelen, merken, ervaren
°sepelire,sepelio,sepelivi,sepultum : begraven
°seplasium,seplasii : zalf
°septem : zeven
°septimus,septima,septimum : zevende
°sepulcrum,sepulcri : graf
°sequi,sequor,secutus sum,- : volgen, vervolgen
°serere,sero,sevi,satum : zaaien, planten, verwekken
°sermo,sermonis (ml.) : gesprek; taal
°servare,servo,servavi,servatum : bewaren, bewaken
°servire,servio,servivi,servitum : dienen, de slaaf zijn van (+dat.)
°servitium,servitii : slavernij
°servitus,servitus : slavernij
°servulus,servuli : slaafje
°servus,servi (ml) : slaaf, dienaar
°sestertium = sestertiorum
°sestertius,sestertii : sestertie
°seu (neven) : of indien, of als
°severus,severa,severum : streng
°sex : zes
°sexagesimus,sexagesima,sexagesimum : zestigste
°si (onder) : als, indien
°sic : zo, op die manier
°siccus,sicca,siccum : droog
°sicut : zoals, alsof
°sidere,sido,sedi,sessum : zich neerzetten, gaan zitten
°sidus,sideris (onz) : ster, sterrenbeeld
°signum,signi (onz) : teken, signaal, veldteken
°silentium,silentii : stilte
°silere,sileo : zwijgen, stil zijn
°silva,silvae (vr) : bos
°similis,similis,simile : gelijk (aan), gelijkend (op) (+gen./dat.)
°simul : tegelijkertijd, tegelijk, samen
°simulacrum,simulacri : beeld
°simulare,simulo,simulavi,simulatum : veinzen, doen alsof, nabootsen
°sin (onder) : maar indien, als echter, als daarentegen
°sine + abl : zonder
°sinere,sino,sivi,situm : (toe)laten, laten
°singuli,singulae,singula : elk afzonderlijk
°sinister,sinistra,sinistrum : linker, links , verkeerd
°sinus,sinus (ml) : kromming, boezem, baai
°situs,sita,situm : gelegen
°sive (neven) : of indien, of als
°sobrietas,sobrietatis : nuchterheid, soberheid
°socius,socii (ml) : bondgenoot, metgezel
°sol,solis (ml) : zon
°solea,soleae : sandaal
°solere,soleo,solitus sum,- : gewoon zijn
°solidare,solido,solidavi,solidatum : stevig maken, sterk maken, verstevigen, versterken
°solidescere,solidesco,-,- : hard worden, stevig worden
°solitudo,solitudinis : eenzaamheid
°solitus,solita,solitum : gewoon
°sollers,sollers,sollers (gen. sollertis) : vaardig, slim, met inzicht
°sollicitare,sollicito,sollicitavi,sollicitatum : ophitsen,aanvuren; verleiden, verlokken hier : trachten om te praten
°sollicitudo,sollicitudinis (vr) : bezorgdheid, zorg, taak
°solum,soli (onz) : bodem, grond
°solus,sola,solum : alleen
°solvere,solvo,solvi,solutum : losmaken, oplossen, betalen
°somnus,somni (ml) : slaap
°sonare,sono,sonui,- : (weer)klinken
°sonitus,sonitus (ml) : geluid, toon, geraas
°sordidus,sordida,sordidum : vuil, smerig
°soror,sororis (vr) : zus
°spargere,spargo,sparsi,sparsum : (uit)strooien, verspreiden
°spatiosus,spatiosa,spatiosum : ruim, groot
°spatium,spatii (onz) : ruimte, afstand, tijdsruimte
°species,speciei (vr) : blik, voorkomen, voorstelling
°spectaculum,spectaculi : spektakel, schouwspel
°spectare,specto,spectavi,spectatum : zien, aanschouwen, toekijken
°speculum,speculi : spiegel; weerspiegeling
°spelunca,speluncae : grot
°sperare,spera,speravi,speratum : hopen, verwachten
°spes,spei (vr) : hoop, verwachting
°spiritus,spiritus (ml) : adem, geest
°spoliare,spolio,spoliavi,spoliatum : beroven,roven,ontnemen
°spolium,spolii : afgestroopte huid (van een dier), mv. : buit, buitgemaakte wapenuitrusting
°squalor,squaloris : smerigheid; verdriet, rouw
°stagnum,stagni : moeras
°stare,sto,steti,statum : staan, blijven staan, stilstaan
°statim : dadelijk, onmiddellijk
°statio,stationis : wachtpost
°statua,statuae : standbeeld
°statuere,statuo,statui,statutum : plaatsen, stellen, beslissen
°status,status : staat, toestand, situatie
°sterilis,sterilis,sterile : onvruchtbaar
°sternere,sterno,stravi,stratum : uitstrooien, uitspreiden; neerwerpen, neermaaien
°stimulare,stimulo,stimulavi,stimulatum : aansporen, aanvuren, ophitsen
°stipendium,stipendii : soldij
°strages,stragis : verwoesting, vernieling
°strepere,strepo,strepui,strepitum : lawaai maken; weerklinken, schetteren
°strepitus,strepitus : lawaai
°strictus,stricta,strictum : getrokken
°stringere,stringo,strinxi,strictum : (een zwaard) trekken, stromen
°struere,struo,struxi,structum : oprichten, bouwen
°studium,studii (onz) : ijver, interesse, studie
°stuprum,stupri : verkrachting
°sua sponte : uit eigen beweging, spontaan
°suadere,suadeo,suasi,suasum : aanraden (+dat.), raad geven
°sub + abl : onder
°subigere,subigo,subegi,subactum : onderwerpen
°subinde : onmiddellijk daarna
°subinde : onmiddellijk daarna, herhaaldelijk, dikwijls
°subire,subeo,subii,subitum : gaan onder, ondergaan, verdragen
°subito : plots, plotseling
°sublicius,sublicia,sublicium : op palen rustend
°subridere,subrideo,-,- : glimlachen
°subsequi,subsequor,subsecutus sum : op de voet / onmiddellijk volgen
°subsidere,subsido,subsedi,subsessum : gaan zitten; zinken, zakken
°subsidium,subsidii (onz) : hulp, bijstand, steun
°subsistere,subsisto,substiti,- : blijven staan, stilstaan
°subtilis,subtilis,subtile : dun, fijn
°succedere,succedo,successi,successum : binnentreden (+dat.), naderen, opvolgen
°sucus,suci : sap
°sui,suorum (ml) : de zijnen, verwanten, vrienden
°sumere,sumo,sumpsi,sumptum : opnemen, nemen, verbruiken
°summus,summa,summum : hoogst(e), opperst(e)
°super + acc : boven, over
°superare,supero,superavi,superatum : overtreffen, overwinnen, overleven
°superarius,superaria,superarium : aan de bovenkant, boven-
°superbia,superbiae (vr) : hoogmoed, trots
°superbus,superba,superbum : overmoedig, trots, arrogant
°superesse,supersum,superfui,- : over zijn, overblijven
°superior,superior,superius (gen. superioris) : hogergelegen
°superstitio,supertitionis : bijgeloof
°superus,supera,superum : zich boven bevindend
°supervacuus,supervacua,supervacuum : overbodig, onnodig
°supplicium,supplicii (onz) : doodstraf, smeekbede
°supra + acc : boven, over
°supra : eerder, vroeger, (nog) meer
°surgere,surgo,surrexi,surrectum : opstaan, opstijgen, ontstaan
°sus,suis : zwijn, varken
°sustinere,sustineo,sustinui,sustentum : omhoog houden, uithouden, verdragen
°suus,sua,suum (bez) : zijn, haar, hun (wederkerig)
°taberna,tabernae : winkel
°tabes,tabis : verrotting, ziekte, pest
°tabula,tabulae : schrijftafeltje, wastafeltje
°tacitus,tacita,tacitum : zwijgend, stil
°talis,talis,tale (aanw) : dergelijk, zulk, zo een
°tam : zo
°tamen : toch, nochtans
°tamquam (onder) : zoals, alsof
°tamquam : als het ware, (zo)als
°tandem : ten slotte, eindelijk
°tangere,tango,tetigi,tactum : aanraken
°tantum ... quantum ... : zo groot ... als ...
°tantum ... quantum : zoveel ... als
°tantum : slechts, alleen (maar)
°tantundem : evenveel; hier : net gelijk, om het even
°tantus,tanta,tantum (aanw) : zo groot, zoveel
°tardare,tardo,tardavi,tardatum : vertragen, ophouden, belemmeren
°tardus,tarda,tardum : traag, traag van geest, laat
°taurus,tauri (ml) : stier
°taurus,tauri : stier
°te praetereunte : terwijl jij passeert
°tectum,tecti (onz) : dak, huis
°tegere,tego,texi,tectum : bedekken, verbergen
°tellus,telluris (vr) : aarde, grond, land
°telum,teli (onz) : werptuig, projectiel
°temperare,tempero,temperavi,temperatum : kalmeren, bedaren, bedwingen
°tempestas,tempestatis (vr) : tijd, onweer, storm
°templum,templi (onz) : tempel
°temptare,tempto,temptavi,temptatum : proberen
°tempus,temporis (onz) : tijd
°tenax,tenax,tenax (gen. tenacis) + gen. : vasthoudend aan, koppig
°tendere,tendo,tetendi,tentum/tensum : spannen, streven naar, gaan (naar)
°tenebrae,tenebrarum (enkel mv.) : duisternis
°tenebricosus,tenebricosa,tenebricosum : donker, duister
°tener,tenera,tenerum : zacht, teer, jeugdig
°tenere,teneo,tenui,tentum : (vast)houden
°tentare,tento,tentavi,tentatum : trachten, beproeven
°tenuis,tenuis,tenue : dun, fijn, tenger
°ter : driemaal
°tergum,tergi (onz) : rug
°terra,terrae (vr) : aarde, land, streek
°terrere,terreo,terrui,territum : doen schrikken, bang maken, afschrikken van
°tertius,tertia,tertium : derde
°tertius,tertia,tertium : derde
°testa,testae : tegel, dakpan
°testudo,testudinis : schildpad
°theca graphiaria,thectae graphiariae : koker voor schrijfgerief
°tigillum,tigilli : balkje; hutje
°tignum,tigni : balk, paal
°timere,timeo,timui,- : vrezen, bang zijn (voor)
°timor,timoris (ml) : vrees
°tiro,tironis (ml) : rekruut, beginnende soldaat
°tirtius,tirtia,tirtium : derde
°tofinus,tofina,tofinum : van tufsteen gemaakt, tufstenen
°toga,togae : toga
°tolerare,tolero,toleravi,toleratum : uithouden,verdragen
°tollere,tollo,sustuli,sublatum : opheffen, wegnemen
°tonitruum,tonitrui : donderslag, donderwolk, donder
°tonsor,tonsoris : kapper
°tormentum,tormenti (onz) : pijn, kwelling, marteling
°torquere,torqueo,torsi,tortum : (om)draaien, slingeren
°torrens,torrentis : bergrivier, snelstromende rivier; stortvloed
°tot : zoveel
°totus,tota,totum (onbep) : heel, geheel,
°totus,tota,totum : geheel, totaal, volledig
°tractare,tracto,tractavi,tractatum : (rond)slepen, behandelen
°tradere,trado,tradidi,traditum : overdragen, uitleveren, overleveren
°traducere,traduco,traduxi,traductum : leiden over, overbrengen
°traducere,traduco,traduxi,traductum : leiden over, overleveren, overbrengen
°trahere,traho,traxi,tractum : slepen, trekken, sleuren
°traicere,traicio,traieci,traiectum : doorboren, doorsteken
°tranare,trano,tranavi,tranatum : overzwemmen, zwemmen
°tranquillus,tranquilla,tranquillum : rustig, kalm, vredig, stil
°trans + acc : over, aan de overkant van
°transferre,transfero,transtuli,translatum : overbrengen
°transilire,transilio : springen over
°transire,transeo,transii,transitum : overgaan, oversteken, voorbijgaan
°transitus,transitus : overtocht, oversteek
°trecenties : driehonderdmaal
°trecenties sestertium = 30 miljoen sestertiën
°tremor,tremoris : beving, schok
°trepidare,trepido,trepidavi,trepidatum : beven, bang zijn
°trepidus,trepida,trepidum : angstig
°tres,tres,tria : drie
°tribunal,tribunalis : verhoog, tribune
°tribunus,tribuni (ml) : tribuun
°tributum,tributi : belasting
°tricesimus,tricesima,tricesimum : dertigste
°triclinium,triclinii : aanligbed, eetkamer
°triginta (telw.) : dertig
°triremis,triremis : driedekker (= schip met drie verdiepingen roeiers)
°tristis,tristis,triste : droevig, triest, droef
°tristitia,tristitiae (vr) : droefheid
°triumphare,triumpho,triumphavi,triumphatum : triomferen, zegevieren
°tu (pers) : jij
°tubulus,tubuli : buis (van aardewerk)
°tueri,tueor,tuitus sum,- : bekijken, beschermen
°tum : toen, dan, daarna
°tumescere,tumesco,tumui,- : aanzwellen, zwellen
°tumulus,tumuli (ml) : grafheuvel
°tumulus,tumuli : heuvel, verhoging; grafheuvel; hier : hoop
°tunc : dan, toen
°tunica,tunicae : tunica
°turba,turbae : menigte
°turbidus,turbida,turbidum : onrustig, woelig
°turpis,turpis,turpe : schandelijk, lelijk
°turris,turris (vr) : toren
°tussire,tussio,-,- : hoesten
°tussis,tussis : hoest, hoestbui
°tutus,tuta,tutum : veilig
°tuus,tua,tuum (bez) : jouw, uw
°ubi(bijw) : waar
°ubi(vgw) (onder) : wanneer, zodra, toen
°ullus,ulla,ullum (onbep) : enig, een of ander, een
°ulterior,ulterior,ulterius : aan de andere kant liggend, aan de overkant, later
°ultimus,ultima,ultimum : laatste
°ultro : spontaan, bovendien, zelfs
°ululatus,ululatus : gehuil, geschreeuw
°umbra,umbrae (vr) : schaduw
°umerus,umeri (ml) : schouder
°umor,umoris : vochtigheid, vocht
°umquam : ooit
°una : samen, tegelijk
°unda,undae (vr) : golf
°unde : vanwaar?, waarvandaan?
°undeviginti milia (telw.) : 19.000
°undique : van overal, overal (vandaan)
°ungere,ungo,unxi,unctum : zalven, insmeren
°unicus,unica,unicum : enig(e)
°universus,universa,universum : gezamenlijk, geheel
°unus,una,unum : één
°unusquisque,unaquaeque,unumquodque : elk afzonderlijk
°urbs,urbis (vr) : stad
°urna,urnae : kruik, urne (voor assen)
°usitatus,usitata,usitatum : gebruikelijk, gewoon, normaal
°usque + acc. : tot aan
°usura,usurae : rente (op lening)
°usus,usus (ml) : gebruik, nut
°ut (onder) : (op)dat, zodat, om te
°ut (onder) : zoals, zodra, toen
°uter,utra,utrum? (vragend vnw.) : welk(e) van beide?
°uterque,utraque,utrumque (onbep) : elk van beiden, beiden
°uti,utor,usus sum,- : gebruik maken van (+abl.), gebruiken
°utique : in elk geval, vooral, toch
°utrimque (bijw.) : langs beide kanten
°utrum...an... : of... of...
°uva,uvae : druif
°uxor,uxoris (vr) : vrouw, echtgenote
°vacare,vaco,vacavi,vacatum : leeg zijn, vrij zijn van (+abl.), (vrije) tijd hebben
°vacuus,vacua,vacuum : leeg, vrij van (+abl.)
°vadum,vadi (onz) : water, bodem, bedding
°vagabundus,vagabunda,vagabundum : rondzwervend
°vagari,vagor,vagatus sum : ronddwalen, rondtrekken
°vale : vaarwel
°valere,valeo,valui,- : sterk zijn, gezond zijn, in staat zijn
°valetudo,valetudinis (vr) : gezondheid, gezondheidstoestand
°validus,valida,validum : sterk, krachtig, machtig
°vallis,vallis (vr) : dal, berghelling
°vallum,valli (onz) : verschansing, wal
°vanus,vana,vanum : ijdel, leeg, zinloos
°varius,varia,varium : verschillend, afwissend, veelzijdig
°vastare,vasto,vastavi,vastatum : verwoesten, vernielen
°vastus,vasta,vastum : onmetelijk, wijd
°vasum,vasi : vaas
°vates,vatis (ml/vr) : waarzegger, ziener, zanger, dichter
°ve (neven) : of (ook)
°vehemens,vehemens,vehemens (gen. vehementis) : heftig, krachtig
°vehere,veho,vexi,vectum : voeren, dragen
°vehiculum,vehiculi : wagen
°vel (neven) : of (ook)
°velle,volo,volui,- : willen
°velocitas,velocitatis : snelheid
°velum,veli (onz) : zeil
°velum,veli : zeil (om zich te beschermen tegen de zon)
°velut : zoals, alsof
°venabulum,venabuli : jachtspies
°venalicia,venaliciorum : koopwaar, handelswaar; slaven
°venatio,venationis : jachtpartij
°vendere,vendo,vendidi,venditum : verkopen
°venenum,veneni : gif
°venire,venio,veni,ventum : komen
°venter,indignor,indignatus sum : verontwaardigd zijn, protesteren
°ventus,venti (ml) : wind
°verber,verberis (onz.) : zweep, mv : zweepslagen
°verbum,verbi (onz) : woord
°vereri,vereor,veritus sum, : vrezen, eerbied hebben (voor)
°veritas,veritatis (vr) : waarheid
°vermis,vermis (ml.) : worm
°vero(bijw) : waarlijk, zeker, echter
°vero(vgw) (neven) : echter, maar
°versatilis,versatilis,versatile : draaibaar, beweeglijk
°versus,versus : versregel
°vertere,verto,verti,versum : (om)keren, (om)draaien
°vertex,verticis (ml) : draaiing, draaikolk, top
°verum (neven) : echter, maar
°verus,vera,verum : echt, waar
°vester,vestra,vestrum (bez) : jullie, van jullie
°vestigium,vestigii (onz) : voetspoor, voetstap
°vestimentum,vestimenti : kleed, kledingstuk, kledij
°vestis,vestis (vr) : kleed
°vetare,veto,vetui,vetitum : verbieden, verhinderen
°vetus,vetus,vetus : oud
°vexare,vexo,vexavi,vexatum : (hevig- bewegen; teisteren, kwellen
°via,viae (vr) : weg
°viator,viatoris : reiziger
°vicinus,vicina,vicinum : naburig
°vicinus,vicini (ml) : buur
°victima,victimae : offerdier, (slacht)offer
°victor,victoris (ml) : overwinnaar
°victoria,victoriae (vr) : overwinning
°victus,victa,victum : overwonnen
°vicus,vici : stadswijk
°videre,video,vidi,visum : zien
°videri,videor,visus sum : lijken, schijnen
°videri,videor,visus sum, : schijnen, lijken, blijken
°vigere,vigeo,vigui,- : krachtig zijn, vitaal zijn, bloeien
°vigilare,vigilo,vigilavi,vigilatum : wakker zijn, niet kunnen slapen
°vigilia,vigiliae (vr) : het waken, nachtwake, wachtpost
°viginti : twintig
°vilis,vilis,vile : goedkoop, waardeloos, alledaags
°villa,villae : landhuis, boerderij; landgoed
°vincere,vinco,vici,victum : (over)winnen, overtreffen
°vincire,vincio,vinxi,vinctum : vastbinden, boeien
°vinculum,vinculi (onz) : band, riem, boeien (mv.)
°vinculum,vinculi : boei
°vindicare,vindico,vindicavi,vindicatum : bestraffen, vergelden, wreken
°vinea,vineae : wijngaard
°vinum,vini : wijn
°viola,violae : viooltje (bloem)
°violare,violo,violavi,violatum : mishandelen; schenden
°vir,viri (ml) : man
°virgo,virginis (vr) : maagd, meisje
°viridis,viris,vire : groen, jeugdig, fris
°virtus,virtutis (vr) : moed, deugd, voortreffelijkheid
°vis, (vr) : kracht, geweld
°viscum,visci : mistel, maretak
°vison,visontis (ml.) : bizon
°visus,visa,visum : gezien
°vita,vitae (vr) : leven
°vitam negare,nego,negavi,negatum : \nhet leven onmogelijk maken
°vitiosus,vitiosa,vitiosum : gebrekkig, ongezond, schadelijk
°vitis,vitis (vr) : wijnrank, wijnstok
°vitium,vitii : gebrek, fout
°vitulus marinus,vituli marini : zeehond (stonden in de Oudheid bekend om hun diepe slaap)
°vivere,vivo,vixi,- : leven
°vivus,viva,vivum : levend
°vix : nauwelijks
°vix : nauwelijks, met moeite
°vocare,voco,vocavi,vocatum : (aan)roepen, (be)noemen
°volare,volo,volavi,volatum : vliegen
°volucer,volucris,volucre : vliegend, gevleugeld, vluchtig
°voluntas,voluntatis (vr) : wil
°volvere,volvo,volvi,volutum : wentelen, (rond)draaien
°vos,, (pers) : jullie
°vota solvere : geloften inlossen, danken
°votum,voti (onz) : wens, gelofte, gebed
°vovere,voveo,vovi,votum : wensen
°vox,vocis (vr) : stem
°vulnerare,vulnero,vulneravi,vulneratum : verwonden
°vulnus,vulneris (onz) : wonde
°vulpes,vulpis : vos
°vulturius,vulturii : gier
°vultus,vultus (ml) : gezicht, gelaat(suitdrukking)